Selecteer een pagina

HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1733

Er is sprake van misbruik van de uitzendovereenkomst indien de duur van de activiteit van de uitzendkracht bij de inlenende onderneming langer is dan wat – gelet op alle relevante omstandigheden – redelijkerwijs als “tijdelijk” kan worden aangemerkt, en voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling geen adequate (objectieve) verklaring wordt gegeven.

Achtergrond; een uitzendrelatie van bijna 13 jaar

Een uitzendkracht werkt vanaf 2009 bijna 13 jaar onafgebroken als productiemedewerker voor Upfield (rechtsopvolger van Unilever). Als in 2022 de productieafdeling van Upfield wordt gesloten, eindigt het uitzendwerk van de uitzendkracht, net als het werk van werknemers in vaste dienst van Upfield. Voor die werknemers komt Upfield met de vakbonden een sociaal plan overeen, met daarin onder meer een beëindigingsvergoeding van bijna € 150.000,-. Dit sociaal plan geldt niet voor uitzendkrachten. Hierop stelt de uitzendkracht dat hij eigenlijk ook werknemer is – al sinds 2009 – en dat hij dus ook recht heeft op de aanspraken die het sociaal plan biedt. Verder claimt heeft hij een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Volgens de uitzendkracht is namelijk sprake van misbruik van de uitzendconstructie. Er zou geen sprake zijn van tijdelijkheid, zoals bedoeld in de Europese Uitzendrichtlijn. De uitzendkracht vindt dat als gevolg van dit misbruik een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Upfield moet worden aangenomen.

Kantonrechter en hof verwerpen dit betoog. Zij vinden een uitzendrelatie van bijna 13 jaar lang, maar zien voor de langdurige gebruikmaking van de uitzendovereenkomst een objectieve rechtvaardiging, zoals de Uitzendrichtlijn die vereist. Vanwege de aard van haar onderneming had Upfield behoefte aan en belang bij flexibel in te zetten werkkrachten – een zogeheten ‘flexibele schil’. De uitzendkracht maakte deel uit van die schil. Hij werkte op verschillende afdelingen en aan verschillende (productie)lijnen, telkens daar waar als gevolg van een ‘gat’ in de geplande bemensing van die afdelingen en lijnen behoefte aan zijn inzet bestond. De hoeveelheid werk kon zowel per seizoen als per week verschillen en anders dan werknemers van (Unilever en) Upfield had de uitzendkracht geen vaste plek aan de lijn droeg hij geen lijnverantwoordelijkheid. Van een permanente uitzending is naar het oordeel van het hof ook geen sprake: Upfield heeft uitzendkrachten in dienst genomen en ook de uitzendkracht in deze zaak heeft een aanbod gekregen voor een jaarcontract bij Upfield, maar dat heeft hij niet aanvaard. Om deze redenen maakte Upfield volgens het hof geen misbruik van de uitzendrelatie. De uitzendkracht is het hier niet mee eens en stapt naar de Hoge Raad.

Wanneer is sprake van misbruik?

De Hoge Raad citeert uitvoerig uit twee zaken van het Hof van Justitie van de Europese Unie die gaan over misbruik van de uitzendrelatie, de arresten JH/KG en Daimler. Uit die arresten leidt de Hoge Raad af dat volgens de Uitzendrichtlijn de tijdelijke aard van de uitzendarbeid moet worden gewaarborgd. Dat uitgangspunt geldt volgens de Hoge Raad ongeacht of er sprake is van één doorlopende opdracht dan wel van een aantal achtereenvolgende opdrachten. Dit brengt de Hoge Raad tot de conclusie dat er sprake is van misbruik van de uitzendovereenkomst indien de duur van de activiteit van de uitzendkracht bij de inlenende onderneming langer is dan wat – gelet op alle relevante omstandigheden – redelijkerwijs als “tijdelijk” kan worden aangemerkt, en voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling geen objectieve verklaring wordt gegeven. Uit de verdere overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat ‘adequate (objectieve) verklaring’ wordt bedoeld. In het oordeel van de Hoge Raad zie ik een (voorzichtige) bevestiging van de door A-G De Bock in haar conclusie bepleite opvatting dat de duur van de terbeschikkingstelling en de vereiste objectieve verklaring communicerende vaten zijn. De Hoge Raad spreekt immers van een objectieve verklaring voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling.

Kan flexibele schil een adequate verklaring vormen?

Als gezegd, zag het hof in het feit dat Upfield behoefte heeft aan een flexibele schil een objectieve verklaring voor het gebruikmaken van de uitzendovereenkomst. Dit oordeel houdt bij de Hoge Raad geen stand. De Hoge Raad stelt in dit kader uitdrukkelijk voorop dat de uitzendkracht gedurende 13 jaar onafgebroken aan Upfield en haar rechtsvoorganger ter beschikking is gesteld. Naar het oordeel van de Hoge Raad vormt de algemene behoefte van Upfield aan een flexibele schil en aan flexibel in te zetten werkkrachten “daarvoor” geen adequate verklaring, nu Upfield en haar rechtsvoorganger gedurende die periode kennelijk onafgebroken behoefte hebben gehad aan de inschakeling van de uitzendkracht. Dit oordeel is aldus toegesneden op de 13 jaar durende onafgebroken uitzending van de uitzendkracht, die de Hoge Raad uitdrukkelijk vooropstelt. Voor een dergelijke langdurige terbeschikkingstelling kan een flexibele schil geen adequate verklaring vormen. Daarmee kan mijns inziens op basis van deze uitspraak niet gezegd worden dat een flexibele schil nooit een adequate verklaring (mede) kan vormen. Wellicht kan dit wel indien de periode van terbeschikkingstelling (aanmerkelijk) korter dan 13 jaar is.

Het hof woog ook nog mee dat Upfield (andere) uitzendkrachten wel in vaste dienst heeft genomen en zij de uitzendkracht een jaarcontract heeft geboden. Naar het oordeel van het hof kunnen ook die omstandigheden geen objectieve verklaring vormen voor de langdurige terbeschikkingstelling van de uitzendkracht. Ook dit oordeel is in mijn ogen toegesneden op de specifieke (zeer) langdurige terbeschikkingstelling die in deze zaak voorlag. Met andere woorden: niet kan worden uitgesloten dat in deze omstandigheden wel (mede) een objectieve verklaring gelegen kan zijn indien de periode van terbeschikkingstelling (aanmerkelijk) korter dan 13 jaar is.

Één doorlopende opdracht of meerdere opvolgende: doet dit ertoe?

Of er nu sprake is van één doorlopende opdracht of meerdere opdrachten, het toetsingskader is hetzelfde. Ook het hof ging hiervan uit. Dit zou de vraag kunnen oproepen waarom de Hoge Raad inhoudelijk is ingegaan op de cassatieklachten die aanvoeren dat het niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het in deze zaak ging om één langdurige terbeschikkingstelling van dezelfde uitzendkracht aan dezelfde inlenende onderneming op grond van een vaste arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau. De Hoge Raad acht die klacht gegrond, met een voorzichtigheid die ik niet vaak zie: uit andere overwegingen van het hof “lijkt (…) te volgen” dat de uitzendkracht tussen 2009 en 2022 voor Upfield en haar rechtsvoorganger werkte op basis van drie opvolgende uitzendcontracten met uitzendbureaus en drie opvolgende opdrachten aan die uitzendbureaus, aldus de Hoge Raad.

Mogelijk moet uit het feit dat de Hoge Raad deze klachten heeft behandeld (en gegrond verklaard) worden afgeleid dat de Hoge Raad – met de A-G De Bock in haar conclusie voor deze uitspraak – van oordeel is bij de beoordeling of sprake is van misbruik relevant is of sprake is van één langdurige opdracht (op basis van één langdurige uitzendovereenkomst) of meerdere opvolgende. Volgens de A-G is in dat laatste geval eerder sprake van misbruik (want minder snel sprake van een adequate verklaring). De Hoge Raad zegt dat echter niet uitdrukkelijk zo.

Een arbeidsovereenkomst als ‘sanctie’?

Het verwijzingshof moet nu opnieuw beoordelen of sprake is van misbruik. Indien het verwijzingshof oordeelt dat hiervan sprake is, dan zal het toekomen aan de beoordeling of – zoals de uitzendkracht stelt – als gevolg van de misbruik van de uitzendrelatie (reeds in 2009) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen tussen de uitzendkracht en Upfield. Over de vraag of een arbeidsovereenkomst met de inlener kan worden aangenomen als sanctie op misbruik van de Uitzendrichtlijn wordt in de literatuur verschillend gedacht. A-G De Bock bespreekt die literatuur en komt tot een bevestigende beantwoording van deze vraag. De Hoge Raad gaat niet op deze vraag in.

Share This

Cassatieblog.nl