Selecteer een pagina

HR 11 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:859

De schuldenaar kan in hoger beroep opkomen tegen de afwijzing van het primaire verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, als de rechtbank (i) ook het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen en (ii) de schuldenaar ook daartegen in hoger beroep opkomt of dit subsidiaire verzoek in hoger beroep niet handhaaft. Dit geldt ook als door de rechtbank nog niet is beslist op het subsidiaire verzoek, maar wel op het primaire verzoek.

Het verzoek om de schuldsaneringsregeling toe te passen

 De natuurlijke persoon die redelijkerwijs voorziet dat hij zijn schulden niet kan betalen of al in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, kan bij de rechtbank een verzoek indienen om de schuldsaneringsregeling op hem toe te passen (art. 284 Fw). Samen met dat verzoek moeten bepaalde gegevens worden overgelegd (art. 285 Fw). Het gaat dan onder meer om een schuldenlijst, informatie over de inkomenssituatie, een overzicht van de vaste lasten en een overzicht van de bezittingen van de schuldenaar. Ook moet worden toegelicht waarom er niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen. Als een buitengerechtelijke schuldregeling is aangeboden, maar die niet is aanvaard, moeten ook daarover gegevens worden overgelegd.

Tegelijkertijd met het verzoek om de schuldsaneringsregeling toe te passen, kan de schuldenaar de rechtbank verzoeken om een schuldeiser die weigert mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen alsnog met die schuldregeling in te stemmen (art. 287a Fw).

Deze zaak

 In deze zaak verzoekt verzoekster (i) primair om verweerder te bevelen alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en (ii) subsidiair om de schuldsaneringsregeling op haar toe te passen. De rechtbank heeft het primaire verzoek afgewezen en overwogen dat op het subsidiaire verzoek bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.

Tegen de afwijzing van haar primaire verzoek komt verzoekster in hoger beroep. Daarbij heeft zij benadrukt haar subsidiaire verzoek te handhaven.

Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek. Dat baseert het hof in belangrijke mate op een uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2012.

In die uitspraak uit 2012 heeft de Hoge Raad verduidelijkt in welke gevallen de schuldenaar in hoger beroep kan opkomen tegen de afwijzing van het primaire verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Dat is blijkens die uitspraak het geval als de rechtbank (i) het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ook heeft afgewezen en de schuldenaar ook daartegen opkomt, of (ii) als de schuldenaar dit subsidiaire verzoek in hoger beroep niet handhaaft. De reden om in andere gevallen geen hoger beroep toe te staan tegen de afwijzing van het subsidiaire verzoek, is erin gelegen dat anders het hoger beroep tegen de afwijzing van het primaire verzoek de behandeling van het subsidiaire schuldsaneringsverzoek zou vertragen. Dat wilde de wetgever voorkomen, omdat in de tijd die het hoger beroep zou kosten de schuldenlast en de noodzaak van rechtsmaatregelen zou toenemen. (Zie over deze uitspraak ook CB 2012-242.)

In deze zaak wordt in cassatie aan de Hoge Raad voorgelegd of hoger beroep wél mogelijk is in een geval als dit, waarin door de rechtbank nog niet op het verzoek tot toelating in de schuldsaneringsregeling is beslist. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar de hiervoor genoemde uitspraak uit 2012. Daaraan voegt de Hoge Raad nu toe dat ook in het geval als waar het in deze zaak om gaat, het hoger beroep tegen de afwijzing van het primaire verzoek de behandeling van het schuldsaneringsverzoek zou vertragen – wat volgens de wetgever nu juist voorkomen moet worden. Hiermee trekt de Hoge Raad de in 2012 ingezette lijn door.

Share This