3 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1468
Deze zaak gaat over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is. Na daartoe door de Marokkaanse rechter verleend verlof, wordt in Marokko beslag gelegd op een zeeschip. Bij de Nederlandse rechter vordert de beslagene schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag. De beslaglegger stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te oordelen over die vordering, omdat op grond van art. 5 Beslagverdrag exclusieve rechtsmacht toekomt aan het beslagforum te Marokko. De Hoge Raad verwerpt dat betoog omdat vorderingen strekkend tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen die nauw verband houden met ‘de opheffing van het beslag’ of ‘de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid’ in de zin van art. 5 Beslagverdrag.
Het Beslagverdrag
Art. 5 Beslagverdrag luidt in de Nederlandse vertaling:
“Het gerecht of de andere bevoegde rechterlijke autoriteit, binnen wiens rechtsgebied op het schip beslag is gelegd, zal de opheffing van het beslag toestaan wanneer voldoende borgtocht of zekerheid is gesteld, behalve in het geval dat het beslag werd gelegd terzake van een zeerechtelijke vordering, genoemd in artikel 1, eerste lid, letters o en p; in dat geval kan de rechter de persoon die in het bezit van het schip is, wanneer deze voldoende borgtocht of andere zekerheid stelt, toestaan de exploitatie van het schip voort te zetten of kan hij op andere wijze voorzien in de exploitatie van het schip gedurende het beslag.
Bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid stelt het gerecht of de andere bevoegde rechterlijke autoriteit de aard en het bedrag daarvan vast.
Het verzoek tot opheffing van het beslag tegen een zodanige zekerheidsstelling kan niet worden uitgelegd als een erkenning van aansprakelijkheid en evenmin als het doen van afstand van het voorrecht van de wettelijke beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar van het schip.”
De zaak
Zodiac is reder van het zeeschip ‘Forest Park’. VMF heeft, via een derde partij, olie verkocht aan Zodiac. Tussen VMF en Zodiac is een geschil ontstaan over deze olie. VMF heeft met verlof van de Marokkaanse rechter conservatoir beslag gelegd op de Forest Park, dat op dat moment in Marokko lag afgemeerd. Het beslag is opgeheven nadat Zodiac zekerheid had gesteld.
Een eerste procedure tussen partijen heeft geleid tot HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1280, zie CB 2020-110. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 5 Beslagverdrag exclusieve rechtsmacht toekent aan het beslagforum voor de in die bepaling bedoelde vorderingen en verzoeken. Over de materiële reikwijdte van art. 5 Beslagverdrag heeft de Hoge Raad in dat arrest als volgt overwogen dat, hoewel art. 5 Beslagverdrag naar de letter alleen ziet op vorderingen of verzoeken die betrekking hebben op “de opheffing van het beslag” of “de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid”, grond bestaat voor een ruimere uitleg van art. 5 Beslagverdrag. Met name de bepaling dat “alle andere processuele incidenten die een beslag tot gevolg heeft” worden beheerst door het recht van het beslagforum geeft grond om art. 5 Beslagverdrag zo uit te leggen dat ook vorderingen en verzoeken die nauw verband houden met de in die bepaling genoemde onderwerpen, uitsluitend kunnen worden voorgelegd aan het beslagforum. Daartoe behoren volgens de Hoge Raad ook vorderingen of verzoeken tot vrijgave, vermindering, vermeerdering of andersoortige aanpassing van de vervangende zekerheidsstelling.
Deze zaak betreft de tweede procedure tussen partijen. In deze procedure vordert Zodiac schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag. Het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van deze vordering en heeft die vordering toegewezen. Het hof heeft daartoe geoordeeld dat de materiële reikwijdte van art. 5 Beslagverdrag zich niet uitstrekt tot (bodem)vorderingen die strekken tot schadevergoeding in verband met gestelde onrechtmatigheid van het beslag
In cassatie klaagt VMF dat dit oordeel van het hof onjuist is omdat onder het Beslagverdrag vragen naar de onrechtmatigheid van het scheepsbeslag uitsluitend kunnen worden voorgelegd aan de rechter van de verdragsstaat waar het beslag werd gelegd (het beslagforum).
De Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de uitleg van het Beslagverdrag moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, die moeten worden beschouwd als codificatie van het geldende volkenrecht inzake de uitleg van verdragen. In de kern houden deze maatstaven in dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Behalve met de context moet ook rekening worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de verdragspartijen inzake de uitleg van het verdrag is ontstaan, hetgeen meebrengt dat ook de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden een primair interpretatiemiddel bij de uitleg van dat verdrag vormt. Voor de uitleg van een verdrag kan een beroep worden gedaan op de voorbereidende werkzaamheden (travaux préparatoires) van dat verdrag.
De Hoge Raad vervolgt met het kernoordeel in deze zaak: vorderingen strekkend tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag kunnen niet worden aangemerkt als vorderingen die nauw verband houden met ‘de opheffing van het beslag’ of ‘de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid’ in de zin van art. 5 Beslagverdrag. De tekst van het verdrag biedt geen aanknopingspunten voor een dergelijke ruime uitleg van de in die bepaling genoemde onderwerpen. Een dergelijke uitleg volgt evenmin uit de context van art. 5 Beslagverdrag.
Het Beslagverdrag bevat geen uitputtende regeling, maar blijkens zijn titel slechts ‘enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen’. Naast art. 5 bevat het Beslagverdrag bepalingen over de rechtsmacht van het beslagforum in art. 4 (voor de verlening van verlof voor het leggen van beslag) en in art. 7 lid 1 (voor het bodemgeschil).
Art. 6 Beslagverdrag bepaalt dat alle geschillen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de schuldeiser voor schade die door het beslag op het schip is veroorzaakt worden beheerst door de wet van de verdragsluitende staat, binnen wiens rechtsgebied het beslag is gelegd of daartoe verlof is gevraagd. Het Beslagverdrag voorziet dus op dit punt slechts in een conflictregel, maar regelt niet de rechtsmacht. Dit vindt bevestiging in de travaux préparatoires van art. 6 Beslagverdrag. Tot slot ontbreekt rechtspraak van andere verdragsstaten die steun biedt voor de in het middel bepleite uitleg van art. 5 Beslagverdrag.
Uit het voorgaande volgt volgens de Hoge Raad dat art. 5 Beslagverdrag niet aldus kan worden uitgelegd dat aan het beslagforum exclusieve rechtsmacht toekomt om te oordelen over vorderingen die strekken tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, overeenkomstig de conclusie van A-G Vlas.