Selecteer een pagina

HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587

(i) Een art. 3:305a-rechtspersoon treedt in rechte niet op als procesvertegenwoordiger van anderen, maar als zelfstandige formele en materiële procespartij.
(ii) Uitgangspunt is dat een partij in de loop van de procedure niet in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld.
(iii) Onder bijzondere omstandigheden kan een wijziging van partijhoedanigheid niettemin geoorloofd zijn.

Achtergrond

In 2006 zijn afvalstoffen afkomstig van het zeeschip Probo Koala, dat was gecharterd door de in Amsterdam gevestigde holdingvennootschap Trafigura, illegaal gestort op verschillende locaties in en om Abidjan (Ivoorkust). In 2015 wordt Trafigura door de Stichting Union des Victimes de Déchets Toxiques D’Abidjan et Banlieues gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam.

Uit de inleidende dagvaarding blijkt dat de Stichting onder meer vordert een verklaring voor recht dat Trafigura aansprakelijk is voor de schade die Ivoriaanse slachtoffers hebben geleden en een veroordeling van Trafigura tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.500 per slachtoffer. De Stichting heeft als productie een lijst overgelegd met daarin genoemde personen die aan de Stichting volmachten zouden hebben gegeven.

Wijziging van partijhoedanigheid?

Volgens de advocaat van Trafigura geeft de dagvaarding aanleiding te concluderen dat de Stichting niet-ontvankelijk is in haar vordering. In een aan de rechtbank gezonden brief stelt hij onder meer dat de vordering zoals deze door de Stichting is ingesteld onverenigbaar is met art. 3:305a lid 3 (oud) BW, dat bepaalt dat een rechtsvordering ingesteld door een claimstichting niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld (per 1 januari 2020 is dit verbod overigens afgeschaft, als gevolg van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA)).

Na ontvangst van deze brief, maar voorafgaand aan de regiezitting, heeft de Stichting haar eis gewijzigd. Primair vordert zij op de voet van art. 3:305a (oud) BW voor recht te verklaren dat Trafigura onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens slachtoffers van de giframp met de Probo Koala en aansprakelijk is voor hierdoor veroorzaakte schade.

Volgens de rechtbank liet de dagvaarding deze mogelijkheid open en blijkt uit de brief van de advocaat van Trafigura dat ook hij met die mogelijkheid rekening hield, zodat Trafigura niet in haar belangen is geschaad. Toch verklaart de rechtbank de Stichting niet-ontvankelijk, omdat de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn (art. 3:305a lid 2 (oud) BW).

Anders dan de rechtbank is het hof Amsterdam van oordeel dat er in eerste aanleg sprake is geweest van een niet-geoorloofde wijziging van partijhoedanigheid. Volgens het hof mocht Trafigura het exploot in redelijkheid zo opvatten dat de Stichting de inleidende dagvaarding in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de slachtoffers heeft uitgebracht. Uit de brief volgt weliswaar dat Trafigura er rekening mee hield dat de Stichting beoogde ook als claimstichting vorderingen in te stellen, maar niet dat Trafigura uit de dagvaarding had afgeleid dat de Stichting in deze procedure in de hoedanigheid van claimstichting optrad. De Stichting heeft de brief evenmin zo opgevat, want zij heeft daarin aanleiding gezien haar eis te wijzigen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van partijhoedanigheid is verder niet van belang of de belangen van Trafigura zijn geschaad.

Van dit oordeel komt de Stichting in cassatie.

Wijziging van partijhoedanigheid, voor en na de WAMCA

In zijn arrest behandelt de Hoge Raad eerst het onderdeel van het middel dat zich richt tegen ’s-hofs oordeel dat sprake is geweest van een wijziging van partijhoedanigheid, waarbij hij verwijst naar de conclusie van A-G De Bock:

“3.2 Indien een stichting als vertegenwoordiger van gedupeerden een vordering instelt en vervolgens haar eis aldus wijzigt dat zij een vordering instelt op de voet van art. 3:305a BW, impliceert die eiswijziging – op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.10-4.14 – een wijziging van de hoedanigheid waarin de stichting in het geding optreedt. (…)”

Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat een art. 3:305a-rechtspersoon niet als procesvertegenwoordiger van anderen in rechte optreedt, maar als zelfstandige formele en materiële procespartij. De Hoge Raad voegt hieraan toe:

“3.2 (…) Dit geldt, op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.15-4.16, ook na de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). (…)”

De WAMCA heeft een nieuwe regeling geïntroduceerd ten aanzien van het gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken in collectieve acties. Deze uitspraken zijn in beginsel bindend voor alle personen die onderdeel uitmaken van de groep gedupeerden voor wie de art. 3:305a-rechtspersoon in rechte opkomt. Ook voor deze procedures geldt dus dat de art. 3:305a-rechtspersoon voor zichzelf optreedt, als zelfstandige formele en materiële procespartij.

In de onderhavige procedure heeft het hof geoordeeld dat de Stichting eerst als vertegenwoordiger van slachtoffers is opgetreden en na de wijziging van eis als stichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW. Uitgaande van dit oordeel heeft het hof volgens de Hoge Raad terecht beslist dat sprake is geweest van een wijziging van partijhoedanigheid. In zoverre faalt het onderdeel.

Wijziging van partijhoedanigheid niet geoorloofd, tenzij …

Vervolgens verduidelijkt de Hoge Raad dat een wijziging van partijhoedanigheid in beginsel niet geoorloofd is:

“3.3 Uitgangspunt is dat een partij noch door wijziging van eis, noch anderszins in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld. Dit vloeit voort uit de eisen van een goede procesorde. (…)”

Er kan echter een uitzondering worden gemaakt:

“(…) In dit geval is (…) van belang dat de Stichting reeds in een zeer vroeg stadium in de procedure in eerste aanleg haar eis heeft gewijzigd, namelijk nog voordat Trafigura voor antwoord had geconcludeerd en nog voordat een (regie)zitting was gehouden. Verder heeft Trafigura, naar het feitelijke en in cassatie niet bestreden oordeel van het hof, blijkens de brief van haar advocaat (…) rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Stichting beoogde ook in de hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW een vordering in te stellen. Daarnaast moet, nu het hof dat in het midden heeft gelaten, in cassatie veronderstellenderwijs aangenomen worden dat Trafigura door de (door het hof aangenomen) wijziging van partijhoedanigheid van de Stichting niet in haar processuele belangen wordt geschaad.”

Indien wordt uitgegaan van deze omstandigheden, is voor toepassing van het hiervoor vermelde uitgangspunt volgens de Hoge Raad geen plaats. Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan uit deze omstandigheden dus wel degelijk volgen dat een wijziging van partijhoedanigheid niet ongeoorloofd is.

Volgt vernietiging en terugverwijzing naar hetzelfde gerechtshof, dat zich, alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering, onder meer zal moeten buigen over de vraag of de belangen van de personen ten behoeve van wie de vordering is ingesteld voldoende zijn gewaarborgd (art. 3:305a lid 2 (oud) BW).

Share This