HR 26 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1290

De advocaat van de man is welbewust zonder zijn cliënten ter zitting  verschenen en heeft beoogd een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep ter zitting onmogelijk te maken. Het hof heeft op grond van misbruik van procesrecht kunnen beslissen de zaak zonder verdere mondelinge behandeling ter zitting af te doen.

In deze (volle) echtscheidingsprocedure is een knoop doorgehakt, en waar Advocaat-Generaal Wesseling-Van Gent nog concludeerde tot vernietiging en verwijzing, laat de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand. Overigens is de advocaat die de man bij het hof bijstond volgens berichten in de media inmiddels geschrapt van het tableau.

Wat is hier gebeurd?

Achtergronden

De rechtbank had de echtscheiding tussen man en vrouw uitgesproken, bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning en verder bepaald dat de man aan de vrouw maandelijks een bedrag van € 1250,– diende te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De man heeft “vol” beroep ingesteld, dat wil zeggen ook tegen het uitspreken van de echtscheiding.

De mondelinge behandeling bij het hof vond plaats op 2 april 2015. Daar verschenen de vrouw en haar advocaat, en de advocaat van de man, maar niet diens cliënten (de man en de zoon). De advocaat van de man heeft ter zitting verklaard dat hij op 28 oktober 2014 een gesprek had gehad met de president van het hof over de inhoud van (onder meer) het beroepschrift in deze procedure. Hij heeft geen stukken ingediend, zijn cliënten thuisgelaten omdat het toch niet tot een mondelinge behandeling zou komen, en heeft ter zitting verzocht om verwijzing naar een ander hof, gelet op zijn gesprek met de president, ruim vijf maanden eerder, waardoor thans sprake was van vooringenomenheid bij het hof. De vrouw heeft bezwaar gemaakt, gesteld dat zij al twee jaar wil scheiden en gesteld dat de man misbruik maakt van procesrecht. De advocaat van de man heeft vervolgens verklaard niet in staat te zijn de grief van de man gericht tegen de echtscheiding in te trekken. Daarop heeft de voorzitter partijen meegedeeld dat het hof al hetgeen door advocaten naar voren is gebracht in zijn overwegingen zal betrekken en de mondelinge behandeling gesloten. Het hof heeft de zaak vervolgens afgedaan en (onder meer) de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De tegen deze gang van zaken gerichte klachten leiden niet tot cassatie.

De uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat het hof niet heeft miskend dat, ondanks afwezigheid van de man ter zitting, een inhoudelijke behandeling mogelijk was, omdat de man was vertegenwoordigd door zijn advocaat (art. 279 lid 3 Rv in verbinding met art. 362 Rv). Het hof heeft volgens de Hoge Raad van een inhoudelijke behandeling ter zitting afgezien op grond van de omstandigheden van het geval, die de Hoge Raad als volgt omschrijft:

3.6.2 Het hof heeft daartoe in de eerste plaats geoordeeld dat mr. Graus welbewust heeft beoogd een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep ter zitting onmogelijk te maken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op:

(a) de vaststelling van het hof dat mr. Graus zijn verzoek tot verwijzing naar een ander hof niet terstond na zijn gesprek op 28 oktober 2014 met de president van het hof heeft gedaan, althans met bekwame spoed nadien, maar pas op de zitting van 2 april 2015 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling,

(b) zijn vaststelling dat partijen ruimschoots de tijd hebben gehad documenten en stukken ter onderbouwing van hun stellingen voorafgaand aan de zitting in te dienen (rov. 3.6.1 slotzin) en dat alleen de vrouw daarvan gebruik heeft gemaakt (rov. 2.4), en

(c) de mededeling van mr. Graus ter zitting dat de man niet ter zitting zal verschijnen omdat mr. Graus vooraf een verzoek ter zitting zal doen buiten aanwezigheid van de man, waaraan mr. Graus de gevolgtrekking heeft verbonden dat “aan een inhoudelijke behandeling, gelet op het verzoek, niet [zal] worden toegekomen” (proces-verbaal, p. 2).

3.6.3 Uitgaande van zijn oordeel dat de advocaat van de man welbewust zonder zijn cliënten ter zitting is verschenen en heeft beoogd een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep ter zitting onmogelijk te maken, heeft het hof voorts overwogen dat mr. Graus misbruik maakt van procesrecht en dat de belangen van de vrouw op ernstige wijze worden geschaad. Daarbij heeft het hof klaarblijkelijk gewicht gehecht aan het feit dat de vrouw, zoals haar advocaat ter zitting aanvoerde, al ruim twee jaar tot een echtscheiding tracht te komen, en heeft het overwogen dat die termijn nu op onredelijke wijze dreigt te worden verlengd indien opnieuw een zitting moet worden bepaald. Het hof heeft geoordeeld dat aan het belang van de vrouw bij onmiddellijke afdoening, zonder inhoudelijke behandeling ter zitting, groter gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van de man bij een zitting op latere termijn en verder uitstel van de afdoening. Op grond van dit misbruik van procesrecht heeft het hof beslist de zaak zonder verdere behandeling ter zitting af te doen.

Deze oordelen geven volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven als zij zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet verder op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk zijn deze oordelen volgens de Hoge Raad evenmin.

Share This