Selecteer een pagina

HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711

De verplichting van gerechten om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling geldt niet als een raadsheer-commissaris na een getuigenverhoor wordt vervangen. De regeling van art. 155 Rv is niet zo fundamenteel dat het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. 

Geen mededeling van vervanging raadsheer-commissaris

In deze zaak hebben getuigenverhoren plaatsgevonden ten overstaan van een uit de meervoudige kamer aangewezen raadsheer-commissaris. Het eindarrest is gewezen door drie andere raadsheren. Ook de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, maakt dus geen deel uit van de kamer die het eindarrest wijst.

Had het hof voorafgaand aan het wijzen van het eindarrest aan partijen moeten mededelen dat die raadsheer-commissaris het eindarrest niet aan het wijzen van het eindarrest zou meewerken?

Hoge Raad: geen mededelingsplicht

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij roept in herinnering dat de in eerdere rechtspraak (zie daarover CB 2014-169, CB 2016-73, CB 2020-39) aanvaarde verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, betrekking heeft op het geval dat een rechterswisseling plaatsvindt na een mondelinge behandeling. Deze verplichting houdt verband met de betekenis van de mondelinge behandeling, waarbij de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter. Om dezelfde reden dient in een meervoudig te beslissen zaak de mondelinge behandeling in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen (rov. 3.3.1).

Deze uit het onmiddellijkheidsbeginsel voortvloeiende mededelingsplicht ligt ook ten grondslag aan de regel van art. 155 lid 1 Rv, dat bepaalt dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht zoveel als mogelijk meewerkt aan het wijzen van de einduitspraak. Volgens de Hoge Raad is het belang van het onmiddellijkheidsbeginsel voor dat geval echter niet zozeer gelegen in het daadwerkelijk kunnen meewegen in de uitspraak van de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting, maar veeleer in het bevorderen van waarheidsvinding. Het gaat om een uitwerking van de eisen van een behoorlijke rechtspleging, niet om een aanspraak op beslissing van de zaak of waardering van het bewijs door de rechter ten overstaan van wie het bewijs is geleverd. Dat aan het onmiddellijkheidsbeginsel in dat kader geen absolute gelding toekomt, volgt niet alleen uit de regeling van art. 155 Rv, maar ook uit de rechtspraak van het EHRM (rov. 3.3.3).

Tegen deze achtergrond komt de Hoge Raad tot de slotsom dat het hof niet gehouden was om voorafgaand aan het wijzen van het eindarrest aan partijen mee te delen dat de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigenverhoren waren gehouden, niet aan het wijzen van het eindarrest zou meewerken (rov. 3.3.4).

Hoge Raad: geen doorbreking rechtsmiddelenverbod

In het eindarrest is niet vermeld waarom daaraan niet kon worden meegewerkt door de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigenverhoren hadden plaatsgevonden. Dit is op grond van art. 155 lid 2 Rv wel verplicht. Tegen deze afwijking staat echter geen voorziening open. Kan dit rechtsmiddelenverbod worden doorbroken?

De Hoge Raad beantwoordt ook deze vraag ontkennend. Volgens hem geldt het rechtsmiddelenverbod niet alleen voor de afwijking, maar ook voor de daarvoor gegeven reden en, in het verlengde daarvan, voor het verzuim om van de afwijking en de oorzaak daarvan melding te maken. De regeling van art. 155 Rv is volgens hem niet van zo fundamentele aard dat bij schending ervan reeds daarom niet van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak kan worden gesproken. De Hoge Raad herinnert er ook in dit verband aan dat aan het onmiddellijkheidsbeginsel geen absolute gelding toekomt. Van strijd met art. 6 EVRM is dan ook geen sprake (rov. 3.4.2).

Afdoening

In cassatie werd eveneens geklaagd dat het hof partijen ten onrechte niet had medegedeeld dat na de mondelinge behandeling een wisseling van alle raadsheren noodzakelijk was. Deze mededelingsplicht is door de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2020 geformuleerd, maar geldt slechts voor mondelinge behandelingen die na die datum plaatsvinden (zie CB 2020-39) en dus niet voor deze procedure, waarin de mondelinge behandeling op 28 januari 2016 plaatsvond (rov. 3.2.4).

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

Share This