HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:139

De door het hof aan de pensioentoezegging gegeven uitleg, die uitgaat van “fiscaal rationeel handelen” van partijen, is hetzij in strijd met de CAO-norm, hetzij onbegrijpelijk in het licht van de tekst van de toezegging. Daaruit blijkt namelijk niet dat de pensioenaanspraak is beperkt tot de situatie dat de ondernemer zou overlijden na zijn pensioendatum en evenmin dat fiscale overwegingen een rol hebben gespeeld bij de toezegging.

Achtergrond

Deze zaak betreft een vervolg op HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:625 (besproken in CB 2014-59). Het gaat om de vraag of eiseres tot cassatie, als weduwe van een in 2003 overleden ondernemer, jegens zijn holdingvennootschappen (verweersters 1 en 2) aanspraak kan maken op nabestaandenpensioen. De holdingvennootschappen zijn na het overlijden van de ondernemer in handen gekomen van zijn dochter uit een eerder huwelijk. Tussen eiseres en die dochter bestaat een geschil over de pensioenaanspraken van eiseres. In verband hiermee hebben eiseres en de dochter in 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat het nabestaandenpensioen van eiseres wordt afgekocht tegen een koopsom van ruim een half miljoen euro. Namens verweerster 1 is dit bedrag overgemaakt. In dit geding vordert verweerster 1 het betaalde van eiseres terug als onverschuldigd betaald.

Wat voor pensioentoezeggingen zijn er gedaan?

Bij pensioenbrief van 1 januari 1994 heeft de dochtervennootschap van verweerster 1 toezeggingen gedaan inzake het ouderdomspensioen van de ondernemer. Deze toezeggingen betroffen een levenslang ouderdomspensioen en een tijdelijk extra-ouderdomspensioen. Op 7 april 1999 is tijdens de aandeelhoudersvergadering van de dochtervennootschap van verweerster 1 het besluit genomen om de pensioenaanspraken van de ondernemer uit te breiden met een aanspraak op weduwenpensioen. Deze afspraak is bij brief van 9 april 1999 aan de ondernemer bevestigd. In 2003 is de ondernemer op 57-jarige leeftijd overleden. Hij heeft de pensioendatum dus niet bereikt.

Procesverloop

Hof Amsterdam heeft de vordering van verweerster 1 toegewezen. Dit hof overwoog dat de aanvullende (weduwe)pensioentoezegging ongeldig was, omdat de ondernemer ten tijde van de toezegging niet meer in dienst was bij de dochtervennootschap. De Hoge Raad heeft dat arrest vernietigd. Naar het oordeel van de Hoge Raad volgt noch uit de bepalingen van de (tot 1 januari 2007 geldende) Pensioen-en Spaarfondsenwet, noch uit doel of strekking van deze wet dat het doen van een (aanvullende) pensioentoezegging aan iemand die niet (meer) werknemer is, in strijd is met de wet en daarom ongeldig is.

Het geding is vervolgens verwezen naar Hof Den Haag (hierna: het hof). Het hof heeft de vordering toegewezen, maar op een andere grond dan Hof Amsterdam. Volgens het hof moest de pensioentoezegging zo worden uitgelegd dat daaruit op verweerster 1 geen (betalings)verplichting jegens de weduwe heeft gerust. Het hof overwoog dat de pensioentoezegging aan de hand van de CAO-norm dient te worden uitgelegd. Conform deze norm geldt als uitgangspunt dat de bewoordingen van de toezegging van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg is het hof ervan uitgegaan dat de ondernemer en verweerster 1 bij het maken van de pensioenafspraak hebben beoogd fiscaal rationeel te handelen. Hierbij achtte het hof van belang wat fiscaal en volgens de geldende pensioenwetgeving is toegestaan. Op basis hiervan achtte het hof het niet aannemelijk dat met de pensioentoezegging is bedoeld eiseres in aanmerking te brengen van een nabestaandenpensioen dat een afgeleide is van het tijdelijk ouderdomspensioen van de ondernemer. Daarnaast overwoog het hof dat uit de tekst van de pensioentoezegging zou blijken dat de toezegging beperkt is tot de situatie dat de ondernemer zou overlijden ná zijn pensioendatum. Nu de ondernemer voor zijn pensioendatum is overleden en derhalve nog geen pensioen genoot, rustte er volgens het hof op verweerster 1 geen betalingsverplichting ten aanzien van de pensioenaanspraak. 

Cassatie

In cassatie klaagt eiseres onder meer dat het hof de toezegging van het nabestaandenpensioen heeft uitgelegd in strijd met de CAO-norm, althans dat zijn oordeel over de uitleg van de toezegging onbegrijpelijk is. Deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de tekst van de pensioentoezegging niet dat de toezegging van een nabestaandenpensioen is beperkt tot de situatie dat de ondernemer zou overlijden na zijn pensioendatum. Tegen die achtergrond acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat op verweerster 1 geen betalingsverplichting rustte ten aanzien van de door de weduwe gestelde pensioenaanspraak onbegrijpelijk. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt hoe het rekening houden met het verondersteld fiscaal rationeel handelen van de ondernemer en verweerster 1 zich verdraagt met de uitleg van de toezegging naar de CAO-norm. Uit de pensioentoezegging blijkt namelijk niet dat fiscale overwegingen een rol hebben gespeeld bij de toezegging, aldus de Hoge Raad.

Tevens klaagde eiseres over het oordeel van het hof dat zij ook geen recht heeft op nabestaandenpensioen voor zover dit het aan de ondernemer toegezegd tijdelijk extra-ouderdomspensioen betreft. Verweersters stelden dat eiseres geen belang had bij deze klacht, omdat het tijdelijk nabestaandenpensioen geen onderdeel meer zou uitmaken van de rechtsstrijd. De Hoge Raad is hier niet in meegegaan. Verweersters zijn in cassatie immers niet opgekomen tegen het uitgangspunt van het hof dat een aanspraak op het tijdelijk nabestaandenpensioen (nog) onderdeel uitmaakte van de rechtsstrijd na verwijzing. Daaropvolgend overweegt de Hoge Raad dat uit de volledige tekst van het aandeelhoudersbesluit blijkt dat de toezegging verwijst naar verschillende situaties die zich voor kunnen doen. De aanspraak op het tijdelijk nabestaandenpensioen gaat in ‘terstond na overlijden’, ongeacht wanneer dit plaatsvindt. Hiervan uitgaande acht de Hoge Raad ook het oordeel van het hof dat het tijdelijk nabestaandenpensioen uitsluitend is toegekend voor de situatie dat de man zou overlijden op een moment dat hij tijdelijk ouderdomspensioen zou genieten, onbegrijpelijk.

Beide klachten slagen derhalve. Er volgt vernietiging en (opnieuw) verwijzing.

Share This