
Overzicht recente prejudiciële vragen
De lijst van lopende zaken vermeldt weer zes nieuwe zaken waarin prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. De vragen zien op (1) de geldigheid van een beding dat verhaal van een bestuursrechtelijke boete mogelijk maakt, (2) de aansprakelijkheid voor dieren jegens medebezitters, (3) de proceskostenveroordeling na intrekking van een kort geding in een IE-kwestie, (4) de exhibitieplicht in IE-zaken en (5) de forfaitaire verhuiskostenvergoeding bij renovatie van huurwoningen. Verder (6) komt er een sequeel op de prejudiciële procedure over het telefoonabonnement met “gratis” toestel (vgl. CB 2014-133). Lees meer…
Grondslag genoemd ter voldoening aan substantiëringsplicht mocht niet aan toewijzing vordering ten gronde worden gelegd
HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195
Het hof heeft ten onrechte de vordering toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking, nu dit leerstuk niet aan de eis ten grondslag was gelegd, maar slechts was genoemd in het kader van de substantiëringsplicht van art. 111 lid 3 Rv. Het hof is daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Lees meer…
Kwekersrecht; maatstaf toewijzing exhibitievordering en criterium ’te koop aanbieden’
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB / Novisem)
(1) Gelet op de strekking van art. 6 Handhavingsrichtlijn is aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv jo. art. 843a Rv niet reeds voldaan indien (dreigende) inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is gesteld. Degene die exhibitie vordert dient zodanig feiten en omstandigheden te stellen én met reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat een inbreuk is of dreigt te worden gemaakt.
(2) Van ’te koop aanbieden’ in de zin van art. 57 jo. art. 1, aanhef en onder g Zaaizaad- en plantgoedwet (ZPW) is ook sprake indien het aanbod plaatsvindt onder het voorbehoud dat levering, in verband met nog geldende kwekersrechten, nog niet mogelijk is. Lees meer…
Zuiver taalkundige uitleg niet doorslaggevend als “Haviltexen” lastig is
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303
De uitleg van een overeenkomst dient, ook indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beide interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is, te geschieden conform de Haviltex-maatstaf. Ook in een dergelijk geval moet de rechter de uitleg van de bepaling baseren op alle door partijen aangevoerde omstandigheden en niet slechts op de tekst van de overeenkomst. Lees meer…
Hoge Raad bevestigt zijn eerdere rechtspraak over zorgplicht pensioenfondsen (art. 17 PSW oud)
HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3229 (Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid / X)
Aan art. 17 PSW (oud) ligt het uitgangspunt ten grondslag dat uitvoerende instanties van pensioen- of spaarfondsen gehouden zijn deelnemers op de hoogte te stellen van wijzigingen van die regelingen, zoals de beëindiging daarvan. Dit geldt ook voor een eventueel daarmee samenhangend aanbod deel te nemen aan een vervangende regeling, bij welk aanbod grote, voor die instanties kenbare persoonlijke en financiële belangen van de deelnemers kunnen zijn betrokken. Lees meer…
Miskenning tweeconclusieregel; verweren ten onrechte buiten beschouwing gelaten
HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3237 (Brink / verweerder)
Met zijn oordeel dat eiseres tot cassatie reeds in de memorie van grieven de concrete uitgangspunten van haar verweer tegen de door verweerder gevorderde schade uiteen had moeten zetten, heeft het hof miskend dat verweerder eerst bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep – bij wijziging van eis – betaling van een concreet schadebedrag heeft gevorderd. Lees meer…
Vergoeding van verzekeringstechnisch nadeel bij uittreding uit een pensioenfonds
HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3242 (PNO/KPN)
De Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel bieden geen grondslag voor vergoeding van een “herstelpremie” ter financiering van toekomstige indexaties van pensioenen. Het strookt niet met de tekst van de Rekenregels, noch met het doel van deze regeling, om het bedrag dat nodig is ter dekking van het indexeringsrisico ten laste te brengen van de uittredende werkgever. Lees meer…
Reikwijdte strafrechtelijk kraakverbod
HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2909
Voor kraken in de zin van art. 138a Sr is niet vereist dat iemand die zonder geldige titel in een pand vertoeft daarin ook wederrechtelijk is binnengedrongen. Lees meer…
Het vereiste van betekening van de overgang van de executiebevoegdheid ingevolge een juridische fusie
HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3197
Antwoord op prejudiciële vragen. Ook in geval van rechtsovergang onder algemene titel ingevolge een juridische fusie (art. 2:309 BW) rust op de verkrijgende rechtspersoon de verplichting (ex art. 431a Rv) tot betekening van de overgang van de executiebevoegdheid. Niet-naleving van dit voorschrift leidt niet tot nietigheid van na de rechtsovergang verrichte executiehandelingen, indien deze overgang schriftelijk of elektronisch is meegedeeld aan de geëxecuteerde, met afschrift aan de betrokken deurwaarder, tenzij de geëxecuteerde door de niet-naleving onredelijk in zijn door art. 431a Rv beschermde belangen is geschaad. Lees meer…
Pandhouder kan zich verhalen voor toekomstige vorderingen voortvloeiend uit bestaande rechtsverhouding
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023 (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.) en ECLI:NL:HR:2015:3094 (Ingwersen q.q./ ING Commercial Finance)
1. Een pandhouder kan staande het faillissement van zijn pandgever verhaal nemen op de opbrengst van de uitwinning van voorafgaand aan het faillissement gevestigde pandrechten, voor een vordering die is ontstaan op of na de dag van de faillietverklaring van de pandgever, mits die vordering voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde.
2. De enkele in art. 7:865 BW bedoelde rechtsverhouding hoofdschuldenaar-borg kan niet worden aangemerkt als een dergelijke rechtsverhouding waaruit het regresrecht van de borg voortvloeit. Een rechtsverhouding in de zojuist bedoelde zin ontstaat wel indien de hoofdschuldenaar partij is bij – of als partij toetreedt tot – de overeenkomst van borgtocht (of het overwaarde-arrangement).
3. Vernietigt de curator die rechtshandeling van de hoofdschuldenaar (of de rechtshandeling waarbij de hoofdschuldenaar zich vóór zijn faillissement heeft verbonden een regresvordering van een borg te zullen betalen) op de voet van art. 42 Fw, dan zijn slechts toekomstige regresvorderingen ontstaan die niet voortvloeien uit een vóór de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde. Lees meer…