

Uitkoop van aandeelhouders: rechter mag waardeverminderende handelingen van grootaandeelhouder meewegen
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1745
Als de grootaandeelhouder de minderheidsaandeelhouder(s) op basis van art. 2:201a BW uitkoopt, kan de rechter bij het vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen rekening houden met handelingen van de uitkopende aandeelhouder die de waarde van de aandelen ten nadele van de uit te kopen aandeelhouder(s) hebben verminderd. De uitgekochte aandeelhouders kunnen daardoor recht hebben op een hogere vergoeding, zodat zij een reële en redelijke vergoeding ontvangen. Lees meer…

Tellen betalingen aan een Liechtensteinse Stiftung mee voor de waarde van de goederen van de nalatenschap?
HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1589
Dat naar het recht van Liechtenstein een Stiftung uitkeringen kan doen aan haar oprichters of aan bepaalde begunstigden is onvoldoende om met die uitkeringsmogelijkheid bij de berekening van de legitimaire massa en legitieme portie krachtens art. 4:65 BW rekening te houden. Lees meer…

Rechterswisseling na getuigenverhoor: geen mededelingsplicht, geen doorbreking rechtsmiddelenverbod
HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711
De verplichting van gerechten om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling geldt niet als een raadsheer-commissaris na een getuigenverhoor wordt vervangen. De regeling van art. 155 Rv is niet zo fundamenteel dat het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. Lees meer…

Wanneer is wettelijke handelsrente verschuldigd?
HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710
Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling. Lees meer…

Periodieke verrekenbedingen en het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW
HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1631
Op grond van art. 1:141 lid 3 BW wordt het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Wie stelt dat het gaat om privévermogen, moet dit vermoeden weerleggen. Lees meer…

Beroepschrift per fax ontvangen met blanco bladzijden, apparaatsfout?
HR 16 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1641
Wordt een fax niet in goede orde ontvangen op de griffie, dan dient te worden nagegaan of dit te wijten is aan een storing of defect van het faxapparaat van de griffie. Het gerecht draagt verantwoordelijkheid voor het faxapparaat. Een storing of defect van dat apparaat komt niet voor risico van degene die het desbetreffende stuk heeft ingediend. Lees meer…

Art. 6:101 lid 1 BW: causaliteitsafweging en billijkheidscorrectie
HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1628
Art. 6:101 lid 1 BW schrijft een causaliteitsafweging voor en biedt de mogelijkheid om een billijkheidscorrectie toe te passen. Het hof heeft zowel de causaliteitsafweging verricht als de billijkheidscorrectie toegepast, en heeft in dat laatste verband de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming betrokken. Mede in het licht van hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, heeft het hof aldus zijn oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende inzichtelijk gemaakt. Lees meer…

Gebrek aan de vereiste juridische kennis om een prestatie te kunnen beoordelen kan verjaring verhinderen
HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603
Onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon staat niet aan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in de weg. Deze juridische beoordeling ziet echter niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Ontbreken daarvan kan betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Lees meer…

Winbare bodembestanddelen bij onteigening: verdeling van het voordeel bij helfte is geen uitgangspunt
HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1543 en ECLI:NL:HR:2020:1542
Wanneer in een onteigeningszaak sprake is van winbare bodembestanddelen, geldt niet als uitgangspunt dat de vergoeding daarvoor moet worden gesteld op de helft van het voordeel dat de onteigenaar door de aanwezigheid daarvan heeft. Dat uitgangspunt geldt alleen voor (juridisch) onwinbare bodembestanddelen. Of een aparte vergoeding voor winbare bodembestanddelen wordt begroot, hangt af van de waarderingsmethode. De verdeling tussen onteigende en onteigenaar van die eventuele aparte vergoeding hangt af van de omstandigheden van het geval. Overigens kan de rechtbank met inachtneming van de juiste maatstaf wel degelijk komen tot een verdeling bij helfte van het voordeel voor de onteigenaar. Lees meer…

Geen uitbreiding art. 80 lid 1 RO tot schending van het Unierecht
HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1591
Er bestaat geen aanleiding de in art. 80 lid 1 RO genoemde gronden van cassatie uit te breiden tot schending van het Unierecht. Het Unierecht vormt immers onderdeel van de Nederlandse rechtsorde en neemt voor de toepassing van art. 80 lid 1 RO geen uitzonderingspositie in. Lees meer…