Selecteer een pagina

HR 16 maart 2011, ECLI:NL:HR:2012:BU7361

De brief van de griffie van de Hoge Raad, waarin is vermeld dat het in cassatie verschuldigde griffierecht zal worden afgeboekt van de rekening-courant van eiser tot cassatie dan wel een acceptgiro voor het griffierecht zal worden gezonden, maakt de te late betaling van het griffierecht niet verschoonbaar en rechtvaardigt geen toepassing van de hardheidsclausule (art. 127 lid 3 Rv). 

Sinds de inwerkingtreding van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) heeft de Hoge Raad zich inmiddels in zo’n 20 uitspraken over onderdelen van deze wet moeten buigen. In het Advocatenblad van 15 maart 2012 (aflevering 4-2012, hier te lezen) heb ik, samen met Sikke Kingma, de rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp nog eens op een rijtje gezet. Het arrest van 16 maart 2011 dat hierna aan de orde komt, past geheel in die rechtspraak.

In deze zaak is het griffierecht twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn voldaan. Eiser tot cassatie beroept zich vervolgens op de hardheidsclausule van art. 127 lid 3 Rv. Ter onderbouwing van dat beroep wijst hij onder meer op een brief die de griffie van de Hoge Raad kort na de eerste rolzitting aan hem heeft gestuurd en waarin is vermeld:

“Dit bedrag wordt binnenkort afgeboekt van uw rekening-courant of u ontvangt een acceptgiro van de Centrale Financiële Dienst in het Paleis van Justitie.”

Volgens (de advocaat van) eiser heeft hij op grond van deze brief erop mogen vertrouwen dat het griffierecht in rekening-courant zou worden afgerekend of dat hij een nota voor het griffierecht zou ontvangen.

De Hoge Raad maakt met beide onderdelen van deze redenering korte metten. In de eerste plaats houdt de advocaat van eiser tot cassatie helemaal geen rekening-courant aan bij de Hoge Raad. Aan de verwijzing naar de rekening-courant heeft deze dus niet het vertrouwen mogen ontlenen dat het griffierecht langs die weg zou worden voldaan.

Voor het overige herhaalt de Hoge Raad zijn inmiddels vaste overweging (zie eerder bijvoorbeeld zijn uitspraken van 4 november 2011, hier besproken op Cassatieblog) dat partijen in cassatie steeds worden vertegenwoordigd door een advocaat. Deze moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn voor betaling van het griffierecht en van de (fatale) gevolgen bij overschrijding daarvan. De advocaat mag daarom niet wachten totdat hem een acceptgiro voor het griffierecht wordt verstuurd, maar zal zo nodig zelf actie moeten ondernemen om te zorgen dat het griffierecht tijdig wordt betaald (de Hoge Raad besliste dit al eerder in HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5603, hier besproken op Cassatieblog). Ook de vermelding in de brief dat een acceptgiro voor het griffierecht zou worden toegestuurd – welke acceptgiro eiser tot cassatie stelt niet te hebben ontvangen – brengt dus niet mee dat de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar is.

Deze uitspraak bevestigt nog eens dat de Hoge Raad streng is met toepassing van de hardheidsclausule bij te late betaling van het griffierecht. Tot dusver heeft de Hoge Raad de hardheidsclausule alleen toegepast in gevallen waarin van de zijde van de Hoge Raad zelf of diens griffie onjuiste of verwarring wekkende mededelingen waren gedaan omtrent de betalingstermijn. Voor het overige ligt het op de weg van partijen, en natuurlijk vooral: hun advocaten, om ervoor te zorgen dat het griffierecht op tijd wordt betaald.

Share This