Selecteer een pagina

HR 3 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:593

De tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN is aangevangen op het tijdstip waarop verweerster in cassatie (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in Suriname had.

Verlies van Nederlanderschap treedt in beginsel onder meer op als iemand tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft. Dat is vastgelegd in art. 15 lid 1 onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De rechtbank had geoordeeld dat in geval van verweerster niet aan deze voorwaarde voor verlies was voldaan omdat het tot de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 geldend recht was dat verweerster slechts beschikte over de Surinaamse nationaliteit, zie CB 2015-121. Pas door de uitspraak van de Hoge Raad in 2015 is vastgesteld dat de wettelijke bepalingen zo moeten worden gelezen dat verweerster het Nederlanderschap niet in 2004 heeft verloren (op grond van art. art. 15 lid 1 onder a RWN, door verkrijging van een vreemde nationaliteit). De rechtbank meende dat een redelijke wetstoepassing daarom met zich bracht dat de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1 onder c in dit geval niet eerder kan zijn gaan lopen dan op 26 juni 2015, de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Vanaf die datum was volgens de rechtbank pas effectief sprake van een Nederlandse nationaliteit voor verzoekster.

Dat oordeel blijft in cassatie niet in stand.

De Hoge Raad overweegt dat zijn uitleg van art. 15 lid 1, aanhef en onder a, RWN in verbinding met art. 15 lid 2 RWN in de uitspraak van 26 juni 2015, niet slechts geldt voor gevallen waarin een persoon ná 26 juni 2015 onder meer op de voet van art. 17 RWN verzoekt om vaststelling van het Nederlanderschap, deze uitleg van de RWN gold ook vóór 26 juni 2015. Dat leidt tot de volgende inhoudelijke beoordeling:

“ 3.5 (…) dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in Suriname had, een en ander als bedoeld in art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN. Het vorenstaande strookt met het in de wetsgeschiedenis van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN benadrukte belang van de in het nationaliteitsrecht gewenste rechtszekerheid.”.

Met het oog op de terugverwijzing naar de rechtbank voegt de Hoge Raad hieraan, kort weergegeven, nog toe dat, als zou blijken dat verweerster het Nederlanderschap als gevolg van de verliesgrond van art. 15 lid 1 onder c RWN heeft verloren, de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest – dient na te gaan of voor verweerster het verlies van de Nederlandse nationaliteit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht. Dat kan ertoe leiden dat de rechtbank dient te beslissen dat verweerster de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. Voor een dergelijke beoordeling is volgens de Hoge Raad ook plaats in een procedure op de voet van art. 17 RWN (en niet alleen in bestuursrechtelijke procedures).

Volgt vernietiging en terugverwijzing.

Share This