Alle berichten met de tag: bewijsvermoeden


Hoge Raad 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190

Bij benadeling van een klokkenluider wordt vermoed dat die benadeling het gevolg is van de klokkenluidersmelding. Hoe moet dit vermoeden weerlegd worden? Hoeft het vermoeden ‘slechts’ ontzenuwd te worden, of moet het tegendeel aangetoond worden? Giel Wind bespreekt de eerste uitspraak die de Hoge Raad doet over de Wet bescherming klokkenluiders.

Cassatievlog #122 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190

Dit is de eerste zaak waarin de Hoge Raad zich uitlaat over de Wet bescherming klokkenluiders. Centraal staat de regeling van het benadelingsverbod. Deze regeling bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de werknemer (melder), dat kort gezegd inhoudt dat bij benadeling van een werknemer wordt vermoed dat de benadeling verband houdt met een door deze gedane klokkenluidersmelding. Het is aan de werkgever om dat vermoeden te weerleggen. Kan de werkgever volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden? (meer…)

HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:338

Bij een periodiek verrekenbeding kunnen ook schulden tot het te verrekenen vermogen behoren.
Het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW voor het niet voldoen aan een periodieke verrekenplicht ziet ook op schulden. (meer…)

HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1146 (Sint Maarten Ports Development/Harbour Side Properties & Ballerina)

Wanneer een rechter een bewijsvermoeden aanneemt, kan hij daarvan later terugkomen omdat voldoende tegenbewijs geleverd is. Dat staat er niet aan in de weg dat hij uiteindelijk alsnog oordeelt dat het benodigde bewijs geleverd is. Het ging immers slechts om een vermoeden, dat door tegenbewijs ‘ontzenuwd’ werd. Maar wanneer dat tegenbewijs relevant, specifiek en voldoende onderbouwd is, moet de rechter dat kenbaar betrekken bij zijn uiteindelijke oordeel dat het benodigde bewijs tóch geleverd is. Dat oordeelt de Hoge Raad in dit arrest. (meer…)

Cassatieblog 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1059

Uit het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW vloeit voort dat schade aan het gehuurde, ontstaan gedurende de looptijd van de huurovereenkomst, wordt vermoed te zijn veroorzaakt door een tekortkoming van de huurder. Voor ontzenuwing van het bewijsvermoeden kan voldoende zijn dat twijfel is ontstaan over de oorzaak van de schade. (meer…)

Cassatieblog.nl