Alle berichten van: Hanneke Arnoldus


HR 19 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:635

Bij een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf dient een ondertekende verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene is opgenomen. (meer…)

HR 22 maart 2019 EC:LI:NL:HR:2019:395

In behandelplan dient duidelijk te zijn welke geneesheer-directeur bevoegd is te beslissen tot opneming van de betrokkene indien de voorwaarden niet worden nageleefd of het gevaar niet langer buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.  (meer…)

HR 15 maart 2019 ECLI:NL:HR:2019:377 

Bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling door toekenning van een schone lei, is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar (art. 358 lid 1 Fw). Omdat de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is als schuldeiser de nakoming van een dergelijke vordering af te dwingen, is hij betrekking met die vordering niet bevoegd om zich op verrekening te beroepen. De ratio van de toekenning van de schone lei staat daarbij in de weg aan analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW. Wel kan een beroep op niet-verrekenbaarheid wegens niet-afdwingbaarheid van de vordering, wegens de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. (meer…)

Het overzicht van prejudiciële zaken vermeldt weer een aantal nieuwe civiele zaken waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. De vragen zien op de volgende kwesties: (1) zijn de vennoten van een vof bij een door de vof gesloten arbeidsovereenkomst ieder afzonderlijk werkgever, (2) de reikwijdte art. 6:228 BW bij het afsluiten van een rentederivaat, (3) het bestaan en de omvang van aansprakelijkheid voor materiële en immateriële schade als gevolg van gaswinning in het Groningerveld en (4) geldt het in de BPR opgegeven briefadres als gekozen woonplaats.

(meer…)

HR 25 januari 2019 ECLI : NL:HR:2019:108

De rechtbank heeft verzoekers tot cassatie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Het beroepschrift is tijdig bij de juiste instantie ingediend. Indien het beroepschrift zou zijn ingediend bij het verkeerde gerecht, had het moeten worden doorgezonden naar het juiste gerecht, in welk geval het tijdstip van indiening bij het verkeerde gerecht bepalend zou zijn geweest.  (meer…)