Selecteer een pagina

Dossier: Wvggz – Wzd (Wet Bopz oud)


Hoge Raad 8 december 2023 ECLI:NL:HR:2023:1724

Het stond de rechtbank niet vrij de verzochte machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen zonder een verklaring te vragen van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Dit wordt niet anders doordat de rechtbank binnen drie dagen diende te beslissen op het verzoek. (meer…)

HR 8 december 2023 ECLI:NL:HR:2023:1732

In een situatie waarin de verlening van een vorm van verplichte zorg is aangevangen op grond van een eerdere zorgmachtiging en na een aansluitende zorgmachtiging ononderbroken en ongewijzigd wordt voortgezet, brengt een redelijke uitleg van art. 8:9 Wvggz mee dat een nieuwe beslissing op de voet van die bepaling achterwege kan blijven. (meer…)

HR 3 november 2023 ECLI:NL:HR:2023:1502

Ook in een crisismaatregel of een machtiging tot voortzetting daarvan kan worden bepaald dat de betrokkene wordt of kan worden opgenomen in een FPC. In dat geval dienen art. 3.4 Wfz, alsmede de art. 42 lid 5 en 44, en de hoofdstukken V, VI en VII van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van toepassing te worden verklaard. (meer…)

 

Wvggz; wilsbekwaam verzet – en de familie dan?

HR 27 oktober 2023 ECLI:NL:HR:2023:1482

Vermelding, op grond van dossier, in de medische verklaring dat de familie door de situatie overbelast raakt en verklaring van de ter zitting aanwezige psychiater dat een oom en tante “het niet volhouden” is onvoldoende motivering voor de aanwezigheid van een aanzienlijk risico voor een ander op ernstige psychische schade die in de weg zou kunnen staan aan de honorering van wilsbekwaam verzet. (meer…)

HR 15 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1220
HR 6 oktober 2023 ECLI:NL:HR:2023:1383

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. (meer…)

Cassatieblog.nl