

Stuiting verjaring door aansprakelijkheidserkenning verzekeraar ex art. 3:318 BW
HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:108
Indien de verzekeraar rechtsgeldig namens de verzekerde de aansprakelijkheid voor schade heeft erkend en vervolgens met de benadeelde in onderhandeling is getreden over de schadeafwikkeling, mag de benadeelde erop vertrouwen dat de verzekeraar bij de schadeafwikkeling optreedt als vertegenwoordiger van de verzekerde. Voor een eventuele erkenning door de verzekeraar (namens de verzekerde) als grond voor stuiting van de lopende verjaring, is voldoende de erkenning dat de benadeelde aanspraak heeft op een hogere vergoeding dan reeds (onder voorbehoud) is betaald. Lees meer…

Verschuldigdheid wettelijke rente bij schadevordering uit onrechtmatige daad
Hoge Raad 26 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:107
Indien onrechtmatig is gehandeld in een bepaalde periode, kan de vordering tot vergoeding van de geleden schade niet reeds vóór die periode opeisbaar zijn geworden. De insolventieadviseur is daarom ingevolge art. 6:83 aanhef en onder sub b BW niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die datum verschuldigd is. Lees meer…

Eigendom van elektriciteitsnet en belang bij vestiging van opstalrecht met betrekking tot bestanddelen daarvan
HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1 en ECLI:NL:HR:2018:12 (Chemours/Stedin)
1) Uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:20 lid 2 BW volgt dat de vraag wat behoort tot een net waarvan een definitie in een bijzondere wet is opgenomen, dient te worden beantwoord aan de hand van die definitie in die bijzondere wet. Deze definitie geeft in zoverre uitdrukking aan de heersende verkeersopvatting betreffende de vraag wat als bestanddeel van een net aangemerkt moet worden. De eigenaar van een net heeft een rechtens te respecteren belang bij de vestiging van een opstalrecht voor bestanddelen van dit net om het aan art. 5:21 BW ontleende exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar van de grond te doorbreken.
2) Indien bestuursrechtelijke procedures leiden tot besluiten met formele rechtskracht, dient de burgerlijke rechter weliswaar uit te gaan van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van die besluiten, maar is hij niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die aan de besluiten ten grondslag zijn gelegd.

Prejudiciële beslissing, opnieuw: openbare orde en verkrijging Nederlanderschap
HR 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:59
De erkenning van verzoeker door een Nederlandse gehuwde man heeft noch ten tijde van die erkenning, noch op enig tijdstip nadien tot gevolg gehad dat verzoeker ingevolge de Rijkswet op het Nederlanderschap (art. 4, oud en huidig) het Nederlanderschap heeft verkregen. Lees meer…

Nederlands stelsel van huur(prijs)bescherming woonruimte niet strijdig met art. 1 EP
HR 26 januari 2018 ECLI:NL:HR: 2018:109 en ECLI:NL:HR:2018:110
De rechtspraak van het EHRM biedt geen steun voor de opvatting dat de Nederlandse wetgever in algemene zin geen fair balance heeft getroffen tussen de door hem met het stelsel van huur(prijs)bescherming nagestreefde doelen enerzijds en de belangen van particuliere verhuurders van woningen in de sociale sector anderzijds. Lees meer…

Tussentijds hoger beroep tegen later tussenvonnis
HR 24 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:3018 (Invinco GmbH / X)
1) Het hof heeft gebruik gemaakt van mogelijkheid die art. 356 Rv hem biedt om de zaak aan zich te houden en heeft het verzet tegen de eiswijziging in het incidentele appel verworpen. Het al dan niet gebruikmaken van die bevoegdheid is aan de appelrechter en leent zich niet voor toetsing in cassatie.
2) Hoger beroep tegen later tussenvonnis als bedoeld in art. 337 lid 2 Rv kan slechts worden ingesteld tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis, tenzij de rechter die het vonnis heeft gewezen anders heeft bepaald. Het is niet aan de appelrechter om hierop een uitzondering te maken. De Hoge Raad oordeelt dat in een toegelaten hoger beroep tegen een tussenvonnis , na daartoe verkregen verlof, weliswaar ook eerdere tussenvonnissen kunnen worden betrokken, maar dat dit niet geldt voor latere tussenvonnissen. Lees meer…

Hoge Raad oordeelt over auteursrechtelijke bescherming van voorbereidend materiaal computerprogramma
HR 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:56 (Diplomatic Card S&B SA / Forax BV)
Niet alle producten die in het ontwikkelingsproces van een computerprogramma worden vervaardigd zijn op basis van de Softwarerichtlijn auteursrechtelijk beschermd. Van bescherming van voorbereidend materiaal is op basis van die richtlijn slechts sprake wanneer dit materiaal tot (reproductie van) het computerprogramma kan leiden. Lees meer…

Wanneer levert een onderhandse akte dwingende bewijskracht op?
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263
Het hof is terecht ervan uitgegaan dat het voor de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte, aankomt op (uitleg van) alleen die akte zelf. Wel had het hof de akte niet geheel van het bewijs mogen uitsluiten, althans blijk moeten geven dat hij die akte heeft meegewogen bij de bewijswaardering. Lees meer…

Rekening en verantwoording meerderjarigenbewind na overlijden onderbewindgestelde
HR 22 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3262
Rekening en verantwoording door bewindvoerder meerderjarigenbewind dient na overlijden onderbewindgestelde te worden afgelegd aan diens erfgenamen, ten overstaan van de kantonrechter. Toepasselijkheid art. 236 Rv. Sanctie art. 3:194 lid 2 BW vereist geen benadelingsoogmerk. Lees meer…

Ontbreken rechtsmacht echtscheidingsverzoek staat niet in de weg aan bevoegdheid treffen nevenvoorzieningen
HR 12 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:31
Het ontbreken van rechtsmacht ten aanzien van een echtscheidingsverzoek staat niet in de weg aan de bevoegdheid ten aanzien van nevenvoorzieningen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid indien het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van dit laatste is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 van de Brussel II-bis verordening bevoegd om van de verzochte nevenvoorzieningen kennis te nemen. Lees meer…