

De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over levering van drinkwater
HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1972
In deze uitspraak stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. In de kern gaat het om de vraag of – zowel in het kader van het op art. 9 Richtlijn koop op afstand gebaseerde art. 7:7 lid 2 (oud) BW, als in het kader van het op art. 27 Richtlijn consumentenrechten gebaseerde huidige art. 7:7 lid 2 BW – sprake is van levering van drinkwater op grond van een overeenkomst, dan wel van een ongevraagde levering van drinkwater zoals verboden door art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Lees meer…

Verboden leeftijdsonderscheid in een pensioenreglement
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2037 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:72
Het ABP maakt geen verboden leeftijdsonderscheid met de in het tot 1 januari 2015 geldende pensioenreglement opgenomen passage dat de pensioenopbouw van een gewezen werknemer met een ontslag- of werkloosheidsuitkering stopt wanneer deze gewezen werknemer de leeftijd van 62 jaar bereikt. Lees meer…

Schorsing van de tenuitvoerlegging van uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan gerechtvaardigd zijn indien het belang van de veroordeelde, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen. Toepassing van deze maatstaf in incident respectievelijk kort geding. Bepalend of beslissing in vorige instantie is gemotiveerd. Lees meer…

81 RO ‘behoefde’ nieuwe standaardoverweging
De Hoge Raad past de standaardoverwegingen aan voor uitspraken zonder inhoudelijke motivering (afdoening met toepassing art. 80a of art. 81 RO). De Hoge Raad heeft dat afgelopen vrijdag toegelicht met een persbericht. Lees meer…

Verplicht lidmaatschap NBA voor accountants niet in strijd met art. 11 EVRM
6 december 2019 ECLI:NL:HR:2019:1908
Het voor accountants wettelijk verplichte lidmaatschap van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is niet in strijd met art. 11 EVRM, omdat de NBA als een publiekrechtelijke vereniging moet worden aangemerkt en geen vereniging is in de zin van die bepaling. Taak advocaat na verzoek om spreektijdverlenging pleidooi ex art. 4.4 Procesreglement gerechtshoven. Lees meer…

Eerst uitleg van de overeenkomst, dan kwalificatie van de inhoud
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034
(1) De rechter moet eerst met behulp van de Haviltex-maatstaf de inhoud van (de wederzijdse rechten en plichten) vaststellen, en mag pas daarna beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een bijzondere overeenkomst (kwalificatie) zoals een pachtovereenkomst. De rechter mag niet aan de hand van voorschriften die voor een pachtovereenkomst gelden, vaststellen of partijen wel of niet beoogden een pachtovereenkomst aan te gaan. (2) Het is niet uitgesloten dat op enig moment na het sluiten van een overeenkomst een ander dan de oorspronkelijke contractspartij in diens plaats als contractuele wederpartij moet worden aangemerkt. Of sprake is van een wijziging van een van de contractspartijen, hangt af van wat de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. Lees meer…

Opheffing van dwalingsnadeel
HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1910
In deze zaak vordert een partij opheffing van het dwalingsnadeel door aanpassing van de koopprijs en levert daarvoor twee berekeningswijzen aan. Het hof stelt vast dat er is gedwaald en dat deze partij als gevolg van de dwaling nadeel heeft geleden, maar wijst de vorderingen af, omdat het de berekeningswijzen niet geschikt acht. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk en onjuist, onder meer gelet op de bevoegdheid die art. 6:230 lid 2 BW de rechter biedt om de overeenkomst daadwerkelijk aan te passen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat als het hof de berekeningswijzen niet geschikt vindt, het hof de hoogte van het dwalingsnadeel dan zelf op andere wijze had behoren vast te stellen, zo nodig bij wege van schatting van de omvang daarvan. Hoewel dwalingsnadeel geen schade betreft, kan uit dit arrest worden afgeleid dat de Hoge Raad de regels die gelden bij schadebegroting ook van toepassing heeft verklaard op de situatie waarin een rechter het dwalingsnadeel moet vaststellen. Lees meer…
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over verkrijging Nederlanderschap in Caribische zaak
HR 20 december 2019 ECLI:NL:HR:2019:2036
Art. 4 lid 2 (oud) RWN en art. 4 lid 3 RWN moeten aldus worden uitgelegd dat iedere in het buitenland tot stand gekomen wettiging die ingevolge de Overeenkomst inzake wettiging door huwelijk van 1970 (hierna: Overeenkomst van 1970) in het Koninkrijk als geldig moet worden aangemerkt, leidt tot de verkrijging van het Nederlanderschap, ook indien aan die buitenlandse wettiging een niet voor erkenning in het Koninkrijk vatbare erkenning is voorafgegaan.

Assurantieportefeuille is geen goed en daarom niet verpandbaar
HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1909 (ING/Thielen q.q.)
Het is niet mogelijk om een pandrecht te vestigen op een assurantieportefeuille, nu dit geen ‘goed’ is in de zin van artikel 3:1 BW. Lees meer…

Reikwijdte bodemrecht fiscus in verband met afnamebeding-regel
7 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2257
De omstandigheid dat een afnamebeding in het concrete geval geen of slechts een gering profijt voor de derde-eigenaar oplevert, kan meebrengen dat de Ontvanger zich jegens de derde-eigenaar in redelijkheid niet op de afnamebedingregel kan beroepen en dat hij daarom de reële eigendom van die derde dient te ontzien. Lees meer…