HR 18 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:726

Nadat de Hoge Raad in 2015 reeds had bepaald dat art. 7:942 (oud) BW onmiddellijke werking toekomt, had het hof na verwijzing geoordeeld dat de onmiddellijke werking in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van art. 75 Ow NBW onaanvaardbaar is. De Hoge Raad heeft nu bepaald dat dit terecht is. Er bestaat redelijkerwijs twijfel of de wetgever zich bewust is geweest van de gevolgen van de onmiddellijke werking. De onmiddellijke werking brengt een zware financiële en administratieve last mee voor de verzekeraar en de eventuele in het gedrang zijnde rechtsbescherming van een verzekerde weegt niet op tegen die lasten.

De procedure in het kort

Op 1 maart 2004 is de woning van eiser in cassatie in brand gevlogen. De woning was verzekerd bij Allianz. Nadat Allianz een onderzoek heeft ingesteld, heeft zij uiteindelijk bij brief van 13 mei 2004 de verlening van dekking onder de polis geweigerd, onder meer vanwege de merkelijke schuld van de verzekerde (art. 294 WvK oud). Eiser heeft steeds Allianz verzocht haar standpunt te wijzigen en gevorderd de schade te laten vaststellen conform de polisvoorwaarden en het vastgestelde bedrag aan hem uit te keren. Nadat in 2005 een aannemer met een offerte is gekomen, hebben partijen nog gecorrespondeerd over de schade. Ruim drie jaar later heeft eiser nogmaals Allianz gevraagd de schade uit te keren. Allianz heeft zich beroepen op verjaring op grond van de polisvoorwaarden en op grond van art. 7:942 (oud BW).

Art. 7:942 (oud BW) is in de loop der jaren veranderd. Tot 1 januari 2006 golden de algemene regels van boek 3 BW (zie CB 2016-10), de verjaringstermijn was dus vijf jaar. Per 1 januari 2006 (en daarover gaat deze zaak) gold een termijn van drie jaar en een termijn van zes maanden bij de afwijzing van de rechtsvordering. Per 1 juli 2010 is art. 7:942 BW gewijzigd en is de termijn uit het derde lid komen te vervallen.

Nadat de rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de vordering is verjaard, oordeelt de Hoge Raad in de eerste cassatie in 2015 anders (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3618, NJ 2016/109, CB 2016-10). Art. 7:942 (oud) BW heeft namelijk onmiddellijke werking ingevolge art. 68a lid 1 Overgangsrecht NBW wat met zich meebrengt dat vanaf het tijdstip waarop dat artikel inwerking is getreden, geldt dat de verjaringstermijn uit art. 7:942 lid 3 (oud) BW pas aanvangt nadat de verzekeraar de aanspraak op de uitkering heeft afgewezen op de door art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze. Zie het cassatieblog over deze uitspraak voor een duidelijk overzicht van de wettelijke regelingen. Kort gezegd, hield de verjaringsregeling in dat bij een afwijzing van de dekking een korte termijn van zes maanden gold.

Op het eerste oog is de vordering van eiser dus niet verjaard. De Hoge Raad geeft echter aanwijzingen aan het hof Amsterdam waarnaar hij de zaak verwijst: het hof zal zo nodig moeten beslissen over het betoog van Allianz dat art. 68a lid 1 Ow NBW buiten toepassing moet blijven op de in art. 75 Ow NBW bedoelde grond dat de onmiddellijke werking onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Het hof Amsterdam heeft na verwijzing vervolgens geoordeeld dat art. 68a lid 1 Overgangsrecht NBW (hierna: Ow NBW) buiten toepassing dient te blijven op de grond van art. 75 Ow NBW. De wijziging van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn ingevolge art. 7:942 (oud) BW jo. art. 68a lid 1 Ow NBW is dus onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Kort gezegd, kan van de verzekeraar niet worden verwacht dat er gedurende de wijziging (in 2006) 2,5 miljoen aangetekende brieven moeten worden verstuurd, om de (veranderde) verjaringstermijn te doen lopen. Het middel keert zich tegen dit oordeel.

Hoge Raad II

De Hoge Raad stelt eerst het één en ander voorop met betrekking tot art. 75 Ow NBW.

Art. 75 Ow NBW bepaalt dat de Ow NBW in zaken van overgangsrecht buiten toepassing blijft, ook buiten de in titel 3 e.v. Ow NBW geregelde gevallen, indien de gelijkenis met zulke gevallen daartoe noopt of indien die toepassing onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het artikel biedt een beperkte mogelijkheid om afwijking mogelijk te maken. De wetgever heeft daarbij aangeknoopt bij art. 6:2 lid 2 BW om te voorkomen dat al te gemakkelijk of te lichtvaardig van de hoofdregel wordt afgeweken. Dat betekent dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat toepassing van art. 75 Ow NBW niet steeds uitsluitend gevolgen heeft voor een individueel geval, maar ook betekenis kan hebben voor een reeks van gevallen waarin een soortgelijke overgangsrechtelijke problematiek aan de orde is.

Vervolgens loopt de Hoge Raad de verschillende overwegingen van het hof langs en toetst deze op juistheid, dan wel begrijpelijkheid.

Allereerst heeft het hof terecht vooropgesteld dat de maatstaf van art. 75 lid 1 Ow NBW tot terughoudendheid noopt, en dat de wetgever een beperkte mogelijkheid in het leven heeft willen roepen om te kunnen afwijken van het uitgangspunt van onmiddellijke werking, omdat niet alle gevolgen daarvan altijd kunnen worden voorzien.

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof ook op een juiste manier overwogen dat in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:942 (oud) BW geen enkele overweging is gewijd aan de (gevolgen van) onmiddellijke werking van art. 7:942 , zoals in het geval van eiser, en dat derhalve niet kan worden gezegd dat de wetgever expliciet voor ogen heeft gehad dat verzekeraars alle op 1 januari 2006 nog ‘levende’ aanspraken conform de afwijzingsformaliteiten dienden af te wijzen teneinde de verjaring te doen aanvangen:

3.5.2 […]              Op grond van de hierboven bedoelde passages in de memorie van toelichting kan redelijkerwijs twijfel bestaan of de wetgever zich ten volle bewust is geweest dat onmiddellijke werking van art. 7:942 (oud) BW met ingang van 1 januari 2006 ertoe leidt dat in alle gevallen waarin op enig tijdstip voordien aanspraak op uitkering is gemaakt, alleen dan een verjaringstermijn (van zes maanden) is aangevangen of aanvangt indien de verzekeraar die aanspraak – vóór dan wel ná 1 januari 2006 – heeft afgewezen of afwijst op de in art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorziene wijze, dat wil zeggen: door middel van een aangetekende brief waarbij de verzekeraar ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het (in art. 7:942 lid 3 (oud) BW vermelde) gevolg dat de rechtsvordering tegen de verzekeraar verjaart door verloop van zes maanden.

In de literatuur is deze consequentie voor onmiddellijke werking van art. 7:942 (oud) BW ook niet onderkend, zie onder 2.18 van de conclusie van de A-G.

Vervolgens heeft het hof terecht bij de beoordeling of onmiddellijke werking van art. 7:942 (oud) BW onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, betekenis toegekend aan de onbetwiste stelling van Allianz dat onmiddellijke werking van art. 7:942 (oud) BW voor haar zou leiden tot een omvangrijke administratieve last (waaronder het verzenden van ongeveer 2,5 miljoen aangetekende brieven) en een aanzienlijke financiële last. Daarom heeft het hof ook opgemerkt dat de wetgever blijkens de latere wijziging van art. 7:942 (oud) BW verzekeraars niet op dergelijke hoge kosten heeft willen jagen om het beschermingsdoel van die bepaling te bereiken.

Tot slot zijn de overwegingen van het hof dat de rechtsbescherming die voor eiser het gevolg zou zijn van de onmiddellijke werking van art. 7:942 (oud) BW, niet opweegt tegen de omvangrijke administratieve en financiële gevolgen voor Allianz, ook niet onjuist of onbegrijpelijk.

Eind goed al goed?

In de eerste cassatie leek de vordering niet verjaard te zijn, omdat de Hoge Raad oordeelde dat art. 7:942 (oud) BW ingevolge art. 68a lid 1 Ow NBW onmiddellijke werking toekomt. Het hof na verwijzing oordeelde vervolgens dat die onmiddellijke werking in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van art. 75 lid 1 Ow NBW. Art. 7:942 (oud) BW komt dus geen onmiddellijke werking toe. Dat oordeel houdt stand in de tweede cassatie. Eisers vordering is dus wèl verjaard.

Allianz had zich ook beroepen op de verjaringstermijn van drie jaar in de polisvoorwaarden. De Hoge Raad merkt nog op dat eiser gedurende een periode van meer dan drie jaar (tussen 2005 en juli 2009) – en daarmee gedurende een periode die langer is dan de tussen partijen geldende contractuele verjaringstermijn – jegens Allianz geen aanspraak heeft gemaakt op de vergoeding van de schade aan de woning. Eisers vordering is dus ook verjaard op grond van de polisvoorwaarden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Zie eerder: Overgangsrecht bij oud verzekeringsrecht: aan de afwijzing van een afspraak te stellen eisen  en Verjaring onder oud verzekeringsrecht: eisen art. 7:942 (oud) BW gelden ook voor tweede of latere afwijzing door verzekeraar 

Share This