HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388

De strekking van art. 7:418 lid 1 BW is het beschermen van de opdrachtgever tegen mogelijke belangenverstrengeling en het middel daartoe is de verplichting van de opdrachtnemer om uit eigen beweging openheid van zaken te verschaffen over zijn eigen belang. Aan die strekking zou afbreuk worden gedaan door aan te nemen dat die verplichting niet, of slechts in beperkte mate geldt indien de opdrachtgever aanknopingspunten heeft om de opdrachtnemer vragen te stellen over diens eigen belang.

Feitelijke achtergrond

Deze zaak betreft een geschil tussen een profvoetballer en een bemiddelaar die voor hem is opgetreden bij een transfer. Verweerder in cassatie (hierna: de voetballer) is sinds 2009 profvoetballer. Hij speelde eerst voor Feyenoord en later voor Lazio Roma en Internazionale. Eiseres tot cassatie, Sports Entertainment Group Football B.V. (hierna: de bemiddelaar), is de voetbaltak van een internationale organisatie die zich bezighoudt met sport- en entertainment management.

Nadat de bemiddelaar eerder al was betrokken bij de contractverlengingen van de voetballer met Feyenoord en diens transfer van Feyenoord naar Lazio Roma, was de bemiddelaar ook betrokken bij de onderhandelingen rondom de transfer van de voetballer naar Internazionale. In de periode februari-maart 2018 werd deze transfer afgerond en tekende de voetballer een arbeidsovereenkomst voor vijf jaar bij Internazionale.

Daarnaast sloten de bemiddelaar en Internazionale in maart 2018 een commissieovereenkomst waarin is vastgelegd dat de bemiddelaar verschillende vergoedingen ontvangt als tussen de voetballer en Internazionale een arbeidsovereenkomst tot stand komt met een salaris van ten hoogste 50 miljoen euro (exclusief bonussen) over vijf jaar. Verder hebben de bemiddelaar en Internazionale een samenwerkingsovereenkomst gesloten met oog op een vervolgtransfer van de voetballer.

De voetballer verwijt de bemiddelaar dit eigen belang bij de transfer niet met hem te hebben gedeeld. Hij vordert in deze procedure een verklaring voor recht (i) dat de bemiddelaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem als opdrachtnemer uit hoofde van art. 7:401 BW rustende verbintenissen, (ii) dat de bemiddelaar heeft gehandeld in strijd met het in de art. 7:417, 7:418 en 7:425 BW bepaalde en (iii) dat de bemiddelaar jegens de voetballer geen recht heeft op loon voor de bemiddeling, en veroordeling van de bemiddelaar tot vergoeding van de door de voetballer geleden schade ten gevolge van het tekortschieten van de bemiddelaar.

Juridisch kader

De lastgevingsovereenkomst van art. 7:414 BW en de bemiddelingsovereenkomst van art. 7:425 BW zijn soorten overeenkomsten van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW. Art. 7:401 BW bepaalt dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen.

Ten aanzien van de lastgevingsovereenkomst bepaalt art. 7:417 lid 1 BW dat een lasthebber slechts dan ook als wederpartij mag optreden indien de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide lastgevers is uitgesloten (het zogenaamde dienen van twee heren). Lid 3 bepaalt dat een lastgever geen recht heeft op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met lid 1 heeft gehandeld.

Art. 7:418 BW bepaalt verder dat indien een lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling, hij verplicht is de lastgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. Lid 2 bepaalt vervolgens dat een lasthebber geen recht heeft op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met lid 1 heeft gehandeld.

Geding in feitelijke instanties

Het hof heeft de bemiddelaar veroordeeld tot betaling van circa 5,2 miljoen euro, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 6 april 2022. Verder heeft het hof voor recht verklaard dat de bemiddelaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem als opdracht nemer uit hoofde van art. 7:401 BW rustende verbintenissen en dat de bemiddelaar in strijd heeft gehandeld met art. 7:418 BW. Zowel de bemiddelaar als de voetballer hebben cassatieberoep ingesteld.

Het principale cassatieberoep

Geen onderzoeksplicht naast mededelingsplicht
In het principale cassatieberoep klaagt de bemiddelaar dat de ingevolge art. 7:418 BW op hem rustende mededelingsplicht afhankelijk is van de kennis waarover de opdrachtgever beschikt en de kennis waaraan hij, naar de bemiddelaar redelijkerwijs mag verwachten, behoefte heeft. Verder klaagt de bemiddelaar dat onder de gegeven omstandigheden op de voetballer een onderzoeksplicht rustte.

De Hoge Raad volgt dit betoog niet. De Hoge Raad overweegt dat de mededelingsplicht geldt zodra de bemiddelaar direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Deze mededelingsplicht geldt ook onder de door de bemiddelaar geschetste omstandigheden. Het is vervolgens aan de opdrachtgever om het belangenconflict te beoordelen. De mededelingsplicht geldt dus onafhankelijk van het antwoord op de vraag of daadwerkelijk sprake is van een belangenconflict (zie HR 6 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5440, rov. 3.3 en 3.6 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, rov. 3.3.2, CB 2017-171).

Het ligt niet op de weg van de opdrachtgever om te onderzoeken welk eigen belang de bemiddelaar heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst. De strekking van art. 7:418 lid 1 BW is immers het beschermen van de opdrachtgever tegen mogelijke belangenverstrengeling door de opdrachtnemer te verplichten om zélf openheid van zaken te verschaffen omtrent zijn eigen belang. Aan die strekking zou volgens de Hoge Raad afbreuk worden gedaan door aan te nemen dat die verplichting niet, of slechts in beperkte mate geldt indien de opdrachtgever aanknopingspunten heeft om de opdrachtnemer vragen te stellen over diens eigen belang.

Begroting van de schade
De klachten van de bemiddelaar over de begroting van de schade door het hof slagen deels.

De klachten gericht tegen de wijze waarop het hof het leerstuk van kans schade heeft toegepast, worden verworpen.   Het hof heeft namelijk een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin de voetballer zich na de tekortkoming door de bemiddelaar bevindt en de hypothetische situatie waarin de voetballer zich zou hebben bevonden als de bemiddelaar wel zou hebben voldaan aan haar mededelingsplicht. Op basis daarvan heeft het hof geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat zonder normschending de arbeidsovereenkomst voor de voetballer gunstiger zou zijn geweest. Het hof heeft dus niet tot uitgangspunt genomen dat niet kan worden vastgesteld of de normschending schade heeft veroorzaakt. Daarmee heeft hof volgens de Hoge Raad – anders dan het zelf had overwogen – niet het leerstuk van kansschade toegepast.

Een van de klachten gericht tegen de wijze waarop het hof het hypothetische scenario heeft ingevuld, slaagt wel. De Hoge Raad overweegt dat de steplicht en bewijslast van het bestaan van de schade op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling rust op de voetballer als benadeelde (art. 150 Rv). Aan de stellingen van de voetballer over de hypothetische situatie mogen echter geen strenge eisen worden gesteld, omdat het juist de bemiddelaar is die aan de voetballer de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over wat zijn financiële positie zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het volgens de Hoge Raad dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Het resultaat van deze afweging kan in cassatie enkel op begrijpelijkheid worden onderzocht. Deze benaderingswijze sluit aan bij de benaderingswijze die de Hoge Raad al langere tijd hanteert in zaken over personenschade (vgl. onder meer HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, rov. 3.3.2, CB 2017-47; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, rov. 3.1.2; HR 22 april 2022; ECLI:NL:HR:2022:590, rov. 3.1.1, CB 2022-61 en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, rov. 3.1.2, CB 2024-64).

De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij het bepalen van het hypothetische scenario ten onrechte is voorbijgegaan aan de stellingen van de bemiddelaar, ondersteund met een bewijsaanbod, dat – kortgezegd – Internazionale niet meer kon en wilde betalen.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een hogere schadevergoeding toe te wijzen dan het door de rechtbank toegewezen bedrag van 4.750.000 euro, omdat tegen het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de schade niet is gegriefd.

Het incidentele cassatieberoep

In het incidentele cassatieberoep klaagt de voetballer dat het hof  ten onrechte heeft geoordeeld dat 6 april 2022 heeft te gelden als de bij de kapitalisatie in aanmerking te nemen peildatum en dat de wettelijke rente over de toegewezen schadevergoeding daarom vanaf die datum verschuldigd is. Deze klacht slaagt.

Het hof heeft geoordeeld dat de schade van de voetballer bestaat uit het misgelopen inkomen dat hij bij Internazionale had kunnen bedingen. De arbeidsovereenkomst tussen de voetballer en Internazionale liep van het seizoen 2018/2019 tot en met het seizoen 2022/2023. Tegen deze achtergrond is het volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het hof het door hem op 9 april 2024 toewezen bedrag heeft aangemerkt als gekapitaliseerde toekomstige inkomensschade en dat het heeft geoordeeld dat de datum van het eindvonnis – 6 april 2022 – heeft te gelden als de bij de kapitalisatie in aanmerking te nemen peildatum. Zie uitgebreid op dit punt: conclusie A-G Lindenbergh, nrs. 5.2-5.36.

De overige onderdelen van de respectievelijke cassatieberoepen falen of blijven vanwege hun voorwaardelijke aard onbehandeld.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

Hiermee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van A-G Lindenbergh, die strekte tot verwerping van beide cassatieberoepen.

Share This

Cassatieblog.nl