Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: Wsnp


HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2286

In de overweging dat verzoeker niet duidelijk heeft gemaakt “wat er precies met hem aan de hand is” ligt besloten dat van verzoeker kon worden gevergd dat hij zou verklaren, waarom zijn ziekte eraan in de weg stond dat hij – eventueel met behulp van derden – (alsnog) aan zijn verplichtingen voldeed (vgl. HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8310, NJ 2006/572). Het hof heeft dan ook terecht en voldoende begrijpelijk gemotiveerd de schuldsaneringsregeling (WSNP) tussentijds beëindigd. (meer…)

HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3338 

Het oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule (art. 288 lid 3 Fw) niet slechts kan worden toegewezen als sprake is van een persoonlijke ontwikkeling in de sfeer van “echte gedragsaspecten” en dat een dergelijke ontwikkeling in dit geval niet aan de orde is getuigt ofwel van een onjuiste rechtsopvatting van art. 288 lid 3 Fw, ofwel is ontoereikend gemotiveerd. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden (staken van onderneming, werken in loondienst en inschakeling schuldhulpverlening) kunnen aanleiding zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.  (meer…)

HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1693 (Eiser/Gemeente Haarlem)

Bij het bepalen van de reikwijdte van een schone lei-verklaring ingevolge de WSNP dient een besluit tot intrekking van ten onrechte genoten bijstand met ingang van een in het verleden gelegen tijdstip dient, wat betreft de daaruit voortvloeiende verplichting tot terugbetaling, op één lijn te worden gesteld met de vernietiging van een overeenkomst met terugwerkende kracht. (meer…)

HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3678

1. Doordat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, ontstaat de vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd.
2. Art. 194 Fw heeft niet slechts betrekking op baten die voor de curator c.q. de bewindvoerder ten tijde van de vereffening onbekend waren, maar ook op voor de curator c.q. bewindvoerder op dat moment bekende baten die hij in de omstandigheden van het geval op redelijke gronden niet heeft gerealiseerd en daarom niet in de slotuitdeling heeft betrokken.  (meer…)

HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935 

Beantwoording van twee prejudiciële vragen. 1. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt. 2. De verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden niet in de periode die is geleden tussen het moment waarop de termijn van art. 349 lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.  (meer…)