Selecteer een pagina

Alle berichten van: Monique Hazelhorst


HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231

  1. Maandelijkse inning uit executoriaal loonbeslag is een daad van rechtsvervolging en daarmee een stuitingshandeling (art. 3:316 lid 1 BW).
  2. De bijzondere verjaringsregeling van art. 3:323 lid 3 BW speelt geen rol meer als het pand- of hypotheekrecht is tenietgegaan, bijvoorbeeld door uitwinning van het verbonden goed. Op een eventuele restschuld is de gewone verjaringsregeling van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing.

(meer…)

Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126

In het internationaal privaatrecht vormt de openbare orde-exceptie een correctie op de toepassing van het recht dat volgens de conflictregels toepasselijk is. De openbare orde in internationaal-privaatrechtelijke zin bestaat uit fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De Hoge Raad oordeelt nu dat de openbare orde-exceptie ook in processuele zin van openbare orde is. Dat betekent dat de rechter die exceptie ambtshalve moet toepassen. De rechter in hoger beroep moet dat ook doen buiten het door de grieven ontsloten gebied. Monique Hazelhorst bespreekt in drie minuten deze uitspraak.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #154 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126

De openbare orde-exceptie (o.a. art. 10:6 BW) is in processuele zin van openbare orde. Dat betekent dat de rechter die ambtshalve en zo nodig buiten het door de grieven ontsloten gebied moet toepassen. (meer…)

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93 en ECLI:NL:HR:2026:94

Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening van een vordering niet eindigt door verjaring van die vordering. Die bepaling schept echter niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. (meer…)

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1950

Art. 419 lid 2 Rv brengt mee dat de feitelijke grondslag van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding, en dus niet in nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan na de bestreden uitspraak. Dat is niet anders in een uitleveringszaak, waarin het gaat om de vraag of de persoon die wordt uitgeleverd het risico loopt om na uitlevering in strijd met art. 3 EVRM te worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden. (meer…)

Cassatieblog.nl