

Uiterlijk Rubik’s Cube auteursrechtelijk beschermd
HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737 (Rubik/Beckx).
Elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, zijn van auteursrechtelijke bescherming uitgesloten. De enkele omstandigheid dat hetzelfde idee op uiteenlopende wijzen kan worden vormgegeven, brengt niet mee dat de gekozen vormgeving een eigen oorspronkelijk karakter heeft. Lees meer…

Prejudiciële vragen aan HvJ EU over vrije advocaatkeuze en de ontslagprocedure ex art. 6 BBA
HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2901 (Y/DAS Rechtsbijstand)
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie over het recht op vrije advocaatkeuze bij een ontslagprocedure ex art. 6 BBA. De vraag wordt gesteld in het kader van een (eveneens) prejudiciële procedure bij de Hoge Raad, waarbij aan de Hoge Raad de vraag werd voorgelegd of de art. 6 BBA-ontslagprocedure kwalificeert als “gerechtelijke of administratieve procedure” als bedoeld in art. 4:67 Wft en art. 4 lid 1 sub a richtlijn 87/344/EG. Lees meer…

No cure no pay-honorarium kan voor volledige vergoeding als buitengerechtelijke kosten in aanmerking komen
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797 (X/Stichting Scheper Ziekenhuis)
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft gemeend dat art. 6:96 lid 2 onder b en c BW geen grondslag biedt voor een kostenberekening voor buitengerechtelijke kosten op basis van een no cure no pay-afspraak tussen de gelaedeerde en een rechtsbijstandverlener. Indien het hof van oordeel is geweest dat daarvoor in dit geval geen grondslag bestond, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de omstandigheden waarop eiser in deze zaak een beroep heeft gedaan. Lees meer…
Bilateraal investeringsverdrag tussen Ecuador en VS is “recht van vreemde staten” als bedoeld in art. 79 lid 1 RO
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837 (Republiek Ecuador/Chevron en TexPet)
Het bilateraal investeringsverdrag moet gelet op de parlementaire geschiedenis van art. 79 RO worden aangemerkt als “recht van vreemde staten” als bedoeld in art. 79 lid 1, aanhef en onder b RO. Het gaat hier immers om internationaal publiekrecht dat niet geldt in de Nederlandse rechtsorde. Hieruit volgt dat oordelen van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het BIT (Bilateral Investment Treaty) in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Lees meer…

De verkapte exequaturprocedure en het vereiste van formele uitvoerbaarheid
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838
Wordt met een beroep op art. 431 lid 2 Rv het geding dat tot een buitenlandse (niet voor executie in Nederland vatbare) rechterlijke beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter gevoerd, dan dient de Nederlandse rechter te beoordelen of en in hoeverre hij aan die beslissing gezag toekent. Toewijzing van een op art. 431 lid 2 Rv gegronde vordering kan afstuiten op het ontbreken van formele uitvoerbaarheid van de beslissing in het land van herkomst. Dat (zoals in casu) de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging in het land van herkomst is vervallen, staat niet aan erkenning op de voet van art. 431 lid 2 Rv in de weg. Lees meer…

Prejudiciële vraag aan Hoge Raad over ingangsdatum wettelijk rente bij effectenlease
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2014:3569 (X/Dexia)
Prejudiciële vraag in effectenleasezaak: wat is de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenlease-overeenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg? Het gaat hierbij om termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenlease-overeenkomst(en) uit hoofde van die effectenlease-overeenkomst(en) heeft betaald. Lees meer…

Veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg en grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing
HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739
Na cassatie en verwijzing is de verwijzingsrechter gebonden aan beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn aangevochten. Dit lijdt uitzondering voor beslissingen die voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met een beslissing waarover in cassatie met succes is geklaagd. De onderhavige beslissing omtrent de proceskostenveroordeling in eerste aanleg valt niet onder deze uitzondering en dus was het verwijzingshof gebonden aan die eerdere beslissing. Lees meer…

Zorgplicht ter controle van de juistheid van een strafrechtelijke aangifte in een vreemde taal
HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2740
(1) Het hof heeft kunnen oordelen dat eiser onzorgvuldig heeft gehandeld door een onjuist gebleken aangifte in een taal die hij niet machtig was te ondertekenen zonder te (laten) onderzoeken of de inhoud daarvan overeenstemde met hetgeen hij wilde verklaren. (2) Voor toekenning van smartengeld wegens aantasting van de eer van een beschuldigde partij is niet vereist dat derden van de beschuldigingen kennis nemen. Potentieel verlies van verdienvermogen kan medebepalend zijn voor de ernst van een aantasting in iemands eer of goede naam. Lees meer…

Ouder zonder gezag is geen belanghebbende bij ondertoezichtstelling
HR 13 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665
In een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling kan de niet met het gezag beklede ouder niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Deze ouder heeft dan ook niet de bevoegdheid hoger beroep in te stellen van een beslissing dienaangaande indien het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem afkomstig was. Lees meer…

Beklamelcriterium; slechtere zekerheidspositie impliceert nog geen schade bij schuldeiser
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services B.V./verweerder)
Voor bestuurdersaansprakelijkheid wegens het aangaan van een onbetaald gebleven en onverhaalbaar gebleken schuld namens de vennootschap, is vereist dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als gevolg van het niet nakomen van de verplichting door de vennootschap schade zou lijden (HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286; Beklamel). De enkele omstandigheid dat de schuldeiser, anders dan was overeengekomen, geen eerste- maar een tweederangs pandrecht heeft verkregen, brengt nog niet mee dat hij dientengevolge schade lijdt. Lees meer…