Overname geding door de curator: persoonlijk karakter rectificatievordering en kracht van gewijsde rolbeslissing

Overname geding door de curator: persoonlijk karakter rectificatievordering en kracht van gewijsde rolbeslissing

HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:416 (X/BING)

Een vordering tot rectificatie is geen rechtsvordering betreffende een recht dat tot de boedel behoort in de zin van art. 25 lid 1 Fw gelet op het persoonlijke karakter ervan. De curator is daarom niet bevoegd het geding ter zake een dergelijke vordering  over te nemen. Indien de curator het geding niettemin (ook in zoverre) heeft overgenomen en de rechtbank dit heeft geaccepteerd, moet de gefailleerde die de overname betwist tegen deze (rol)beslissing van de rechtbank echter wel een rechtsmiddel instellen om te voorkomen dat zij kracht van gewijsde krijgt. Lees meer…

Hoge Raad verduidelijkt maatstaf voor opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW

Hoge Raad verduidelijkt maatstaf voor opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW

HR 21 februari 2020 ECLI:NL:HR:2020:311

Over de uitleg van het begrip ‘opzet tot misleiding’ in art. 7:941 lid 5 BW had de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten. De Hoge Raad sluit aan bij (de uitleg van) het begrip opzet tot misleiding in art. 7:930 lid 5 BW. Voor opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW moet daarom worden onderzocht of de verzekerde de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die de verzekeraar zonder de schending van de mededelingsplicht niet zou hebben verstrekt.

Lees meer…

Het effect van ruilverkaveling op hypotheekrechten

Het effect van ruilverkaveling op hypotheekrechten

HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:484

Deze zaak draait om hypotheekrechten van Rabobank op een perceel die als gevolg van ruilverkaveling van rechtswege zijn overgegaan op een vervangend perceel. Hoewel voornoemde overgang van de hypotheekrechten niet was opgenomen in de openbare registers komt aan de hypotheekhouder die (na de ruilverkaveling) een hypotheekrecht op het vervangend perceel heeft gevestigd geen bescherming ex art. 3:24 lid 1 BW toe. Er is in dit geval sprake van zaaksvervanging en dat kwalificeert niet als een “voor inschrijving in de registers vatbaar feit” als bedoeld in art. 3:24 lid 1 BW. Lees meer…

Prejudiciële vragen over uitputting en ‘gegronde redenen’ voor verzet tegen verdere verhandeling merkproducten (vervolg)

Prejudiciële vragen over uitputting en ‘gegronde redenen’ voor verzet tegen verdere verhandeling merkproducten (vervolg)

HR 6 maart 2020 ECLI:NL:HR:2020:391 (EPAL/PHZ)

Vervolg op uitspraak van de Hoge Raad van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:26 (EPAL/PHZ), besproken in CB 2020-20, waarin bepaald werd dat partijen gelegenheid kregen zich uit te laten over de formulering van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJEU’) te stellen prejudiciële vragen. De schriftelijke reactie daarop van eiseres tot cassatie (EPAL) geeft aanleiding de te stellen vragen op twee punten te wijzigen.  Lees meer…

Eigendomstoekenning bij langdurig onverdeeld gebleven onroerende zaken in Curaçao

Eigendomstoekenning bij langdurig onverdeeld gebleven onroerende zaken in Curaçao

HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257

In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de eigendomstoekenning op grond van de op 1 april 2007 in werking getreden wettelijke regeling van art. 3:200a t/m 300h Burgerlijk Wetboek van Curaçao ten aanzien van langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen, bestaande uit een onroerende zaak.

Lees meer…

Overname geding door de curator: persoonlijk karakter rectificatievordering en kracht van gewijsde rolbeslissing

Beoordeling in hoger beroep bij een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding: ‘ex tunc’ of ‘ex nunc’?

HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284

(i) In hoger beroep moet de vraag of het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht is toegewezen ‘ex tunc’ worden beoordeeld.

(ii) Het staat partijen in hoger beroep vrij andere feiten en omstandigheden naar voren te brengen, maar de rechter mag slechts acht slaan op de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter.

(iii) De vraag of de rechter in hoger beroep moet voorzien in herstel van de arbeidsovereenkomst of aan de werknemer een billijke vergoeding moet toekennen dient ‘ex nunc’ te worden beoordeeld.

(iv) Dit geldt ook voor de beoordeling van het recht op en de omvang van de transitievergoeding en de billijke vergoeding, met dien verstande dat de vraag of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever of werknemer naar haar aard ‘ex tunc’ moet worden beoordeeld.

Lees meer…

Een arbeidsovereenkomst kan niet gedeeltelijk worden ontbonden

Een arbeidsovereenkomst kan niet gedeeltelijk worden ontbonden

HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283

(i) Een arbeidsovereenkomst kan niet gedeeltelijk worden ontbonden. Wel kan een arbeidsovereenkomst gedeeltelijk worden beëindigd. De Hoge Raad noemt enkele gevallen waarin van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst sprake kan zijn.

(ii) Indien een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is afgewezen, dient de rechter in hoger beroep aan de hand van de hem ten tijde van zijn beslissing bekende feiten en omstandigheden te beoordelen of het ontbindingsverzoek ten onrechte is afgewezen (‘ex nunc’).

Lees meer…

Ontduiking van de ketenregeling via uitzendovereenkomst

Ontduiking van de ketenregeling via uitzendovereenkomst

HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:312

Het sluiten van een uitzendovereenkomst na drie opvolgende, tijdelijke arbeidsovereenkomsten, met als doel de uit de ketenregeling voortvloeiende bescherming te ontduiken, kan misbruik van de ketenregeling opleveren. Het oordeel van het hof dat (daarmee) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, houdt in cassatie stand.

Lees meer…

Prejudiciële vragen over uitputting en ‘gegronde redenen’ voor verzet tegen verdere verhandeling merkproducten (vervolg)

Overzicht recente prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Het overzicht van prejudiciële zaken vermeldt weer een aantal nieuwe civiele zaken waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. De vragen zien op (1)  uitleg van art. 5 Handelsnaamwet bij mogelijke naamsverwarring handelsnaam, (2) vermindering van arbeidsduur wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en recht op transitievergoeding, (3) bindende kracht van in kracht van gewijsde gegaan vonnis met betrekking tot vernietiging van effectenleaseovereenkomst voor echtgenoot die niet als formele procespartij is opgetreden en (4) is het vereiste van ‘gebleken onschuld’ voor schadevergoeding strijdig met onschuld-presumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl