Alle berichten met de tag: verjaring


HR 4 mei 2012, LJN BV6769 (Huisman q.q./X)

Wanneer een persoon in rechte wordt betrokken, kan reeds sprake zijn van daadwerkelijke bekendheid met de feiten waaruit de schade (bestaande uit aansprakelijkheid jegens de eisende partij) voortvloeit, ook al is op dat moment nog onzeker of de rechter de vordering zal toewijzen. Dit kan voldoende zijn voor de aanvang van de verjaringstermijn ter zake van een vordering tot verhaal van die schade op een derde, omdat daarvoor niet is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem de schade voortvloeit. (meer…)

HR 27 april 2012, LJN BV1301 (De Beeldbrigade/X) en BV1299 (X/Bell Microproducts)

Titel 7.1 BW is van toepassing op de aanschaf van standaardsoftware – op een gegevensdrager of via een download – voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag. (meer…)

HR 6 april 2012, LJN BU3784 (ASR/Achmea)

Op de verjaring van een regresvordering tussen hoofdelijk medeschuldenaren (art. 6:10 lid 2 BW) is de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing. Deze termijn gaat niet eerder lopen dan het moment waarop de regresvordering is ontstaan. Dit laatste is het geval zodra één van de hoofdelijk schuldenaren de vordering van de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. (meer…)

HR 30 maart 2012, LJN BV2839

De verjaring van schadevordering waarop het CMR-verdrag van toepassing is wordt geschorst door een “schriftelijke vordering” als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Deze vordering dient een duidelijke aanzegging van aansprakelijkstelling te behelzen, maar behoeft het ontstaan en de omvang van de schade niet te specificeren. (meer…)

HR 3 februari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BV2719

Een rechtsbijstandsverlener dient zijn cliënt te wijzen op de toepasselijkheid van de korte verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW, en op de mogelijkheid van stuiting van die termijn. Het oordeel van het hof dat de rechtsbijstandsverlener in casu vrijuit moest gaan, omdat de cliënt reeds had besloten de zaak te laten rusten, is niet begrijpelijk dan wel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat de cliënt de vordering evenmin tijdig zou hebben gestuit indien deze zou zijn gewezen op de verjaringstermijn, noch dat de rechtsbijstandsverlener ervan mocht uitgaan dat de cliënt van stuiting wilde afzien.  (meer…)