Selecteer een pagina

Alle berichten van: Monique Hazelhorst


HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764

De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin).  (meer…)

Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897

Vorderingen van ondernemers op de overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen (de NOW en de TVL) zijn overdraagbaar en daarmee verpandbaar. Er is volgens de Hoge Raad geen algemene regel dat de aard van geldvorderingen op de overheid uit hoofde van subsidieregelingen zich verzet tegen overdracht. Geldvorderingen uit hoofde van de NOW en de TVL hebben geen persoonlijk karakter en de aard van deze vorderingsrechten verzet zich niet tegen overdracht, ook al vloeien zij voort uit subsidieregelingen.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

 

Cassatievlog #151 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1812

Een inzagevordering op de voet van art. 843a (oud) Rv is alleen toewijsbaar als een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is. De verplichting van een bemiddelaar om zijn opdrachtgever ervan in kennis te stellen dat hij een persoonlijk belang had bij totstandkoming van de overeenkomst waarbij hij heeft bemiddeld (art. 7:418 lid 1 BW in verbinding met art. 7:427 BW) kan een dergelijke rechtsbetrekking opleveren. Ook de verplichting tot het afleggen van verantwoording (art. 7:403 lid 2 BW) kan een rechtsbetrekking opleveren. (meer…)

 

HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1687

  1. De termijn van drie jaar uit art. 4:127 BW is een termijn voor het afleggen van een verklaring aan de begunstigde, niet een termijn voor het instellen van een rechtsvordering.
  2. De beoordeling of een handeling strekt tot verrijking van een ander (zoals bedoeld in art. 7:186 lid 2 BW), dan wel of de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking (zoals bedoeld in art. 7:188 lid 1 BW), moet geschieden met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden.

(meer…)

HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1658

Een incidentele vordering tot verwijdering van stukken uit het dossier, op de grond dat deze stukken gelet op art. 419 lid 2 Rv geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het cassatiemiddel, wordt afgewezen. De reden is dat in een andere zaak, die nu aanhangig is, zal worden ingegaan op de vraag of, en, zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze, een uitzondering moet worden gemaakt op de regel van art. 419 lid 2 Rv, in het bijzonder vanwege het beroep van de betrokkene op art. 3 EVRM en art. 13 EVRM. (meer…)

Cassatieblog.nl