Alle berichten van: Saskia Bouwman


HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320

Aan een algemeen aanbod om tegenbewijs te leveren door middel van getuigen mag de rechter niet ongemotiveerd voorbij gaan. Wanneer de rechter voorshands, behoudens tegenbewijs, bepaalde feiten als vaststaand aanneemt, hoeft een partij dit voorshands geleverde bewijs niet eerst te ontkrachten om tot tegenbewijs te worden toegelaten. (meer…)

HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank)

In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal hoe een bank moet omgaan met stortingen op de rekening-courant in het zicht van faillissement van de rekeninghouder. De bank heeft (ook op grond van de algemene bankvoorwaarden) een openbaar pandrecht op al hetgeen de rekeninghouder van de bank te vorderen heeft. Binnen de rekening-courantverhouding wordt de bank door een betaling van een schuldenaar aan de rekeninghouder op zijn beurt schuldenaar van de rekeninghouder, maar kan de bank deze schuld verrekenen met wat hij van de rekeninghouder te vorderen heeft. De Hoge Raad beslist dat op deze verrekening art. 54 Fw van toepassing is, welk artikel onder omstandigheden aan verrekening in de weg staat. Als betalingen op de rekening binnenkomen na het peilmoment (het moment dat de bank niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw), mag de bank zich daarop niet verhalen, ook niet op grond van zijn pandrecht. (meer…)

HR 23 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2161

Bij de Hoge Raad wordt sinds maart 2017 digitaal geprocedeerd. Bij digitaal procederen moet binnen de (cassatie)termijn de procesinleiding worden ingediend. Eiser krijgt daarna nog een termijn van twee weken om het oproepingsbericht te betekenen of bezorgen. De Onteigeningswet wijkt daarvan af: binnen de cassatietermijn moet niet alleen de procesinleiding worden ingediend, maar moet deze ook (samen met het oproepingsbericht en de afgelegde cassatieverklaring) worden bezorgd of betekend. (meer…)

HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol)

Het gaat in deze zaak om inmiddels vervallen schadevergoedingsbepalingen op grond van de Luchtvaartwet. In deze procedure worden zowel de schadevergoeding op grond van art. 50 LVW (oud) wegens waardevermindering door het opleggen van een bouwverbod, als de afdracht van waardevermindering door het vervolgens opheffen van dat bouwverbod, beoordeeld. De Hoge Raad overweegt dat deze procedures op grond van de LVW grote gelijkenis vertonen met het onteigeningsrecht, en tussentijds cassatieberoep tegen een tussenvonnis dan ook niet kan worden opengesteld. In deze zaak ging het ten aanzien van de ene vordering (de waardevermindering) om een procedure na cassatie en verwijzing, waarvoor het algemene uitgangspunt geldt dat de rechter op niet of tevergeefs bestreden beslissingen in beginsel niet mag terugkomen. Ten aanzien van de andere vordering (de waardevermeerdering) ging het om een zaak waarin nog geen einduitspraak was gedaan. Omdat de leer van de bindende eindbeslissing in deze procedures op grond van de LVW niet geldt, betekent dat dat de rechter nog wel op zijn eerdere (tussen)beslissingen mag terugkomen. Omdat de waardevermindering en waardevermeerdering in samenhang moeten worden beoordeeld, brengt dat een uitzondering op de gebondenheid na cassatie aan niet of tevergeefs bestreden beslissingen mee: wanneer omstandigheden worden meegewogen voor het oordeel over de waardevermeerdering, moeten deze ook worden betrokken in het oordeel over waardevermindering.  (meer…)

HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1694 (BBL/verweerder)

Bij de schadeloosstelling voor onteigening hoort, als onderdeel van de werkelijke waarde van de onteigende zaak, ook een vergoeding voor een meerwaarde van de grond die samenhangt met de aanwezigheid van bruikbare bodembestanddelen. Bij de vaststelling van die meerwaarde mag op grond van het eliminatiebeginsel (de regel dat bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende geen rekening wordt gehouden met voor- of nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor wordt onteigend), geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat werkzaamheden voor het winnen van die bodembestanddelen toch al met het oog op de uitvoering van het werk moeten plaatsvinden. Wanneer, zoals in dit geval, een gasleiding moet worden verlegd om de bodembestanddelen te winnen, moeten de kosten van die verlegging worden meegenomen bij het bepalen van een eventuele meerwaarde door de aanwezigheid van die bodembestanddelen. Dat de verlegging van de gasleiding voor de uitvoering van het werk waarvoor wordt onteigend toch al noodzakelijk was, doet daar niet aan af. (meer…)