Extern ondernemerschap en kwalificatie van arbeidsrelatie
HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (Uber / FNV)
Bij de beoordeling of een overeenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst is ook van belang of de werkende zich ‘buiten’ de rechtsverhouding als ondernemer gedraagt of kan gedragen (‘extern ondernemerschap’ of ‘persoonlijk ondernemerschap’). Lees meer…
Geen halvering van de meerinbreng bij beperkte gemeenschap van goederen
Cassatieblog HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:436 (vrouw / man)
Als een goed al vóór het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorde en een echtgenoot uit hoofde van de aanschaf van dat goed vóór het huwelijk een vordering op de andere echtgenoot heeft gekregen, valt de met die vordering corresponderende schuld buiten de huwelijksgemeenschap. Lees meer…
Cassatievlog #135 | Civiele regels stelplicht en bewijslast bij parallelle strafprocedure over dezelfde feiten
Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:796
In civiele procedures moet de rechter gestelde feiten die door de wederpartij onvoldoende zijn betwist als vaststaand beschouwen. Die regel geldt ook in procedures waarin schadevergoeding wordt gevorderd naar aanleiding van feiten waarover gelijktijdig ook een strafprocedure wordt gevoerd. Dat is op zichzelf niet in strijd met het recht van een verdachte in een strafproces om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken, zo oordeelt de Hoge Raad. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan dat anders zijn. Monique Hazelhorst bespreekt de uitspraak.
Cassatievlog #135 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Wvggz: afstand recht op rechtsbijstand
HR 23 mei 2025 ECLI:NL:HR:2025:818
In zaken waar het gaat om verlening van zorgmachtiging mag afstand van het recht op rechtsbijstand door betrokkene niet snel worden aangenomen.
De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Lees meer…
Gezag van gewijsde: dezelfde rechtsbetrekking en een nieuwe feitelijke grondslag
HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667
Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen over een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak – mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. Lees meer…
Een proceskostenbeding in een consumentenovereenkomst is oneerlijk
HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820
(i) Een proceskostenbeding in een huurovereenkomst, op grond waarvan de huurder die tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst alle gerechtelijke kosten moet betalen die de verhuurder maakt, is oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen). Een dergelijk beding is daarom vernietigbaar.
(ii) Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) is niet met zekerheid af te leiden of de rechter vervolgens nog een proceskostenveroordeling op de voet van art. 237 e.v. mag uitspreken ten laste van de huurder. De Hoge Raad stelt hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU. Lees meer…
Cassatievlog #134 | Een proceskostenbeding is een oneerlijk beding en blijft buiten toepassing
Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820
De Hoge Raad beslist in deze uitspraak dat een proceskostenbeding in zijn algemeenheid een oneerlijk beding is, dat buiten toepassing moet worden gelaten. Betekent dat ook dat in die gevallen een ‘gewone’ proceskostenveroordeling, op basis van het liquidatietarief, niet mogelijk is? Giel Wind bespreekt in deze cassatievlog de uitspraak van de Hoge Raad.
Cassatievlog #134 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Verjaringstermijn vangt niet eerder aan dan dag na onverschuldigde betaling
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Dit geldt ook indien voordien reeds aan de benadeelde bekend is dat de vordering uit onverschuldigde betaling zal ontstaan en wie de ontvanger van de onverschuldigde betaling zal zijn.
Een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment dat een betaling zonder rechtsgrond wordt verricht. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling. Lees meer…
Cassatievlog #133 | Onverschuldigde periodieke betalingen: wanneer verjaart de vordering?
Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
Wanneer verjaart een vordering uit onverschuldigde betaling bij meerdere, periodiek gedane, betalingen? Die vraag beantwoordde de Hoge Raad afgelopen vrijdag. Berend-Bram Heinen, cassatieadvocaat bij Pels Rijcken, bespreekt het antwoord.
Cassatievlog #133 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Verwerping of aanvaarding van een nalatenschap door de bewindvoerder in meerderjarigenbewind
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758
De bewindvoerder in een meerderjarigenbewind geldt als wettelijk vertegenwoordiger in de zin van art. 4:193 lid 1 BW. Die bepaling bevat regels over de aanvaarding en verwerping van nalatenschappen. Art. 1:441 BW geeft daarvoor deels andere regels. De Hoge Raad legt uit hoe deze regels zich tot elkaar verhouden. De bewindvoerder moet op grond van art. 4:193 lid 1 BW binnen drie maanden de in dat artikellid bedoelde verklaring omtrent de nalatenschap afleggen. Op grond van art. 1:441 lid 5 BW kan hij de nalatenschap met instemming van de rechthebbende ook zuiver aanvaarden. De bewindvoerder is, na machtiging door de kantonrechter, met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd tot verwerping van de nalatenschap. Legt de bewindvoerder niet binnen de termijn van drie maanden een verklaring af, dan geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard.