Alle berichten met de tag: redelijkheid en billijkheid


HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1391 (CNV Vakmensen c.s./Vebidak)

Art. 17 van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven beoogt, blijkens zijn inhoud en opbouw, uitsluitend een vergoeding te bieden voor de duur van het vervoer dat onder het gezag van de werkgever plaatsvindt (en niet voor het normale woon-werkverkeer). Het is aan partijen overgelaten om afspraken te maken over de vergoeding van reistijd als de reis geen onderdeel uitmaakt van de overeengekomen arbeid. (meer…)

HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911

Erfstelling broer ter voorkoming van erven ouders in geval van vooroverlijden erflaatster. Later huwelijk van erflaatster. Uitleg in licht van verhoudingen die uiterste wil kennelijk wenst te regelen en omstandigheden waaronder deze is gemaakt (het nog in leven zijn van de ouders, het ongehuwd zijn van erflaatster en het ontbreken van een alternatief). Hof heeft geen toekomstige omstandigheden in aanmerking genomen. (meer…)

HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748

Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel kan slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. (meer…)

HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0258 (Eiseres/Varde)

De WCAM-overeenkomst voor effectenleasegeschillen (Duisenbergregeling) heeft geen betekenis voor het onderhavige geschil over de vraag of Dexia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (in verband met een onjuiste eindafrekening) geen betaling meer kon vorderen van de openstaande restschuld. (meer…)

HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566 (ECN/OMEN)

De tot 1 januari 2007 geldende Pensioen- en Spaarfondsenwet voorzag niet in een beoordelingsmaatstaf als die van art. 19 van de sindsdien geldende Pensioenwet, noch in enige andere maatstaf voor de beoordeling van een eenzijdige wijziging in pensioenreglementen. Voor zover een pensioenreglement de bevoegdheid tot wijziging gaf, betekent dit dat het gebruikmaken van die bevoegdheid (vóór 2007) in beginsel geoorloofd was en dus niet dat die geoorloofdheid afhankelijk was van een belangenafweging als die van art. 19 Pensioenwet. Hiervan uitgaande werd de uitoefening van deze bevoegdheid slechts beperkt voor zover de werkgever van die bevoegdheid misbruik maakte (art. 3:13 BW) of uitoefening van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW).  (meer…)

Cassatieblog.nl