Alle berichten met de tag: faillissement


HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294

Van tijdens het faillissement ontstane rentevorderingen die gedurende het faillissement niet opeisbaar zijn, begint de in art. 3:308 BW bedoelde verjaring niet gedurende het faillissement te lopen. (meer…)

 HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299 (OOO Promneftstroy/ Yukos Capital c.s.)

1. De vraag naar de beëindiging van het bestaan van een rechtspersoon is geen vraag van internationaal faillissementsrecht, maar van internationaal rechtspersonenrecht; het territorialiteitsbeginsel is niet van toepassing; 2. Niet aanvaardbaar is het indien de beslaglegger in het geval, waarin uitgangspunt is dat hij nog onvoldane vorderingen heeft en dat hij deze kan verhalen op de beslagen goederen, niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. De beslaglegger kan in dat geval de eis in de hoofdzaak instellen of vervolgen tegen de verkrijger. (meer…)

HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.)

Het hof heeft met juistheid de regel uit het arrest Vis q.q./NMB toegepast, inhoudend dat een girale betaling na faillietverklaring van de schuldenaar kan worden teruggevorderd, indien de bank aan welke de betalingsopdracht was gegeven op de dag van faillietverklaring nog handelingen moest (laten) verrichten ter effectuering daarvan. Voor toekomstige faillissementen formuleert de Hoge Raad een nieuwe regel: de curator kan steeds het betaalde terugvorderen waarmee pas na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd. (meer…)

HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:522 (Curatoren ZHG/Verweerster)

Het hof heeft niet vastgesteld dat verweerster heeft bewezen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan haar te wijten is geweest en dat zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. ’s Hofs oordeel dat verweerster zich kan disculperen ex art. 2:248 lid 3 BW, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. (meer…)

HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:42 (Doka/mr. Kalmijn q.q.)

In antwoord op een prejudiciële vraag beslecht de Hoge Raad een faillissementsrechtelijke controverse: art. 39 Fw, dat tussentijdse beëindiging van huurovereenkomsten in geval van faillissement mogelijk maakt en de huurprijs tot boedelschuld bestempelt, geldt gelet op de tekst en de ratio ervan ook voor de huur van roerende zaken. (meer…)