Dossier: Internationaal publiekrecht


HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680 (Staat/Verweerder)

Indien in een geding voor de burgerlijke rechter de opgeëiste persoon aanvoert dat hij door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, kan op de Staat, indien de desbetreffende stellingen van de opgeëiste persoon voldoende klemmend en aannemelijk zijn, de verplichting rusten nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan. (meer…)

HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 (Staat/Nuhanovic) en ECLI:NL:HR:2013:BZ9228 (Staat/Mustafic c.s.)

Het internationale recht sluit niet uit dat een gedraging van een troepenmacht zowel wordt toegerekend aan de internationale organisatie die leiding geeft aan het militaire optreden, als aan de staat die de troepen aan die organisatie ter beschikking heeft gesteld. Voor toerekening aan de staat is effective control over de troepenmacht vereist. Het komt dan aan op de vraag of de staat feitelijke zeggenschap had over het specifieke gedrag, waarbij alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval in ogenschouw moeten worden genomen. (meer…)

HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45

Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn niet vatbaar voor gedwongen executie. Daarbij is niet vereist dat de staatseigendommen daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden. (meer…)

HR 14 december 2012, LJN BX8351 (Staat/X c.s.)

Resolutie 1737 van de VN-Veiligheidsraad, waarin onder meer een kennisembargo tegen “Iranian nationals” is uitgesproken, verplicht de Staat niet om bij de uitvoering daarvan onderscheid te maken tussen Iraanse en niet-Iraanse onderdanen. Niet aannemelijk is dat de Staat bij de uitvoering van resolutie 1737 in de Sanctieregeling Iran alles in het werk heeft gesteld om het maken van onderscheid tussen Iraanse en niet-Iraanse onderdanen te voorkomen. (meer…)

HR 13 april 2012, LJN BW1999 (Stichting Mothers of Srebrenica c.s./Staat en Verenigde Naties)

De immuniteit die aan de Verenigde Naties (VN) is verleend, is absoluut. Het handhaven daarvan behoort tot de verplichtingen van de leden van de VN die ingevolge art. 103 van het VN-Handvest in geval van strijdigheid voorrang hebben boven verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten. Uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 3 februari 2012 volgt dat ook de bijzondere ernst van de verwijten die in dit geval aan de VN worden gemaakt (te weten het niet voorkomen van de genocide die na de val van de enclave Srebrenica door de Bosnische Serviërs is gepleegd), niet kan meebrengen dat aan de VN in deze procedure geen immuniteit toekomt. (meer…)