Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: bestuurdersaansprakelijkheid


HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275

Art. 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een andere rechtspersoon aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook aan die bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (meer…)

HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2614 & ECLI:NL:HR:2016:2607

Omdat een van de rechters die de uitspraak deed al met pensioen was, moet de Meavita-zaak geheel opnieuw worden behandeld door de Ondernemingskamer (OK). De Hoge Raad overweegt bovendien ten overvloede dat voor het verhalen van de onderzoekskosten van een enquête op de bestuurders en commissarissen is vereist dat hen persoonlijk een verwijt van het wanbeleid kan worden gemaakt. (meer…)

HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233 (eiser / Velenturf q.q.)

Het oordeel van het hof dat sprake was van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is gelet op de stellingen van eiser onbegrijpelijk, omdat daarvan pas sprake is indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. (meer…)

HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745

Voor beroepsaansprakelijkheid van een advocaat die een niet aan hem verleende opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, gelden de normale vereisten van art. 6:162 BW. Niet is vereist dat de advocaat persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (meer…)

HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:522 (Curatoren ZHG/Verweerster)

Het hof heeft niet vastgesteld dat verweerster heeft bewezen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan haar te wijten is geweest en dat zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. ’s Hofs oordeel dat verweerster zich kan disculperen ex art. 2:248 lid 3 BW, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. (meer…)

Cassatieblog.nl