Cassatievlog #134 | Een proceskostenbeding is een oneerlijk beding en blijft buiten toepassing
Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820
De Hoge Raad beslist in deze uitspraak dat een proceskostenbeding in zijn algemeenheid een oneerlijk beding is, dat buiten toepassing moet worden gelaten. Betekent dat ook dat in die gevallen een ‘gewone’ proceskostenveroordeling, op basis van het liquidatietarief, niet mogelijk is? Giel Wind bespreekt in deze cassatievlog de uitspraak van de Hoge Raad.
Cassatievlog #134 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Verjaringstermijn vangt niet eerder aan dan dag na onverschuldigde betaling
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Dit geldt ook indien voordien reeds aan de benadeelde bekend is dat de vordering uit onverschuldigde betaling zal ontstaan en wie de ontvanger van de onverschuldigde betaling zal zijn.
Een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment dat een betaling zonder rechtsgrond wordt verricht. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling. (meer…)
Cassatievlog #133 | Onverschuldigde periodieke betalingen: wanneer verjaart de vordering?
Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
Wanneer verjaart een vordering uit onverschuldigde betaling bij meerdere, periodiek gedane, betalingen? Die vraag beantwoordde de Hoge Raad afgelopen vrijdag. Berend-Bram Heinen, cassatieadvocaat bij Pels Rijcken, bespreekt het antwoord.
Cassatievlog #133 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Verwerping of aanvaarding van een nalatenschap door de bewindvoerder in meerderjarigenbewind
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758
De bewindvoerder in een meerderjarigenbewind geldt als wettelijk vertegenwoordiger in de zin van art. 4:193 lid 1 BW. Die bepaling bevat regels over de aanvaarding en verwerping van nalatenschappen. Art. 1:441 BW geeft daarvoor deels andere regels. De Hoge Raad legt uit hoe deze regels zich tot elkaar verhouden. De bewindvoerder moet op grond van art. 4:193 lid 1 BW binnen drie maanden de in dat artikellid bedoelde verklaring omtrent de nalatenschap afleggen. Op grond van art. 1:441 lid 5 BW kan hij de nalatenschap met instemming van de rechthebbende ook zuiver aanvaarden. De bewindvoerder is, na machtiging door de kantonrechter, met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd tot verwerping van de nalatenschap. Legt de bewindvoerder niet binnen de termijn van drie maanden een verklaring af, dan geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard.
Geen taak voor de rechter als arbitrage-instituut oordeelt over onttrekking arbiter
HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:725
De Hoge Raad heeft beslist dat art. 1029 lid 2 Rv geen basis biedt voor de beoordeling door de rechter van een verzoek tot onttrekking van een arbiter als het arbitrage-instituut dat de arbitrage administreert daarover een beslissing kan nemen of al heeft genomen. Arbiters hoeven daarom met hun beslissing niet te wachten op een beslissing van de overheidsrechter daaromtrent.
Recente berichten
- Cassatievlog #174 | Is de pandhouder bevoegd tot kwijtschelding?
- Oproeping en ontvankelijkheid bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding
- Cassatievlog #173 | WAMCA-overgangsrecht en voorzienbaarheid onder de ankergedaagderegel
- Eiser schendt de waarheidsplicht (art. 21 Rv) en verspeelt daarmee zijn kans om bewijs te leveren
- (G)een uitspraak van het EHRM over reservistenpraktijk Hoge Raad
- Cassatievlog #172| Financieel nadeel door effectenlease is toerekenbare schade, ook als je de effecten houdt
- Wvggz: medische verklaring nog actueel na terugverwijzing?
- Wdz: zorgplan bij machtiging tot voortgezet verblijf in accommodatie hoeft niet alle vormen van onvrijwillige zorg te vermelden
Dossiers
- Aanbestedingsrecht (15)
- Aansprakelijkheid en schadevergoeding (347)
- Arbeidsrecht (252)
- Bestuursrecht (1)
- Bijzondere overeenkomsten (48)
- Caribisch recht (Aruba, Curaçao en Sint Maarten, BES) (71)
- Erfrecht (48)
- Europees recht (92)
- Financieel recht (60)
- Goederenrecht (97)
- Grondrechten en mensenrechten (66)
- Hoge Raad Algemeen (64)
- Huurrecht (88)
- Huwelijksvermogensrecht (71)
- Insolventierecht (212)
- Intellectuele-eigendomsrecht (120)
- Internationaal privaatrecht (90)
- Internationaal publiekrecht (25)
- Kooprecht (15)
- Mededingingsrecht (28)
- Omgevingsrecht (1)
- Ondernemingsrecht (105)
- Onteigeningsrecht (72)
- Overheidsrecht (183)
- Pensioenrecht (27)
- Personen- en familierecht (220)
- Prejudiciële uitspraken HvJEU (28)
- Prejudiciële vragen Hoge Raad (154)
- Privacy -AVG (5)
- Proces- en beslagrecht (910)
- Strafrecht (12)
- Verbintenissenrecht (323)
- Vermogensrecht algemeen (94)
- Vervoersrecht (28)
- Verzekeringsrecht (85)
- Wetgeving cassatierechtspraak (14)
- Wvggz – Wzd (Wet Bopz oud) (141)