Dossier: Caribisch recht (Aruba, Curaçao en Sint Maarten, BES)


HR 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:696

In deze Caribische zaak heeft de Hoge Raad bepaald dat niet reeds van overheidsgrond in de zin van art. 5:24 BWSM (en tevens het equivalent in het BW) sprake is als onbekend is wie de eigenaar van de grond is. Het gaat erom dat de grond geen (andere) eigenaar heeft. (meer…)

HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:599, ECLI:NL:HR:2018:600 en ECLI:NL:HR:2018:602

 Het Arubaanse Wetboek van Strafvordering kent voor vergoeding van schade door toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel een exclusieve rechtsgang, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Nabestaanden van een overleden gelaedeerde kunnen in die rechtsgang aanspraak maken op vergoeding van door henzelf gelden materiële én immateriële schade, en in hun hoedanigheid als erfgenamen van de gelaedeerde enkel voor materiële schade van die de gelaedeerde. Voor derden, zoals genoemde nabestaanden, geldt niet de termijn van drie maanden voor de indiening van een schadeverzoek. Zij kunnen een verzoek tot schadevergoeding indienen zolang hun vordering niet naar burgerlijk recht is verjaard. (meer…)

HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:366

De Hoge Raad bevestigt dat een kantoorbetekening van een exploot op grond van art. 63 lid 1 Rv ook mogelijk is ingeval degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of enig ander land ten aanzien waarvan geen verdrag of verordening anders bepaalt. Een dergelijke betekening is zowel toelaatbaar in zaken waarop de KEI-wetgeving van toepassing is, als in zaken waarop die wetgeving niet van toepassing is. (meer…)

HR 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:59

De erkenning van verzoeker door een Nederlandse gehuwde man heeft noch ten tijde van die erkenning, noch op enig tijdstip nadien tot gevolg gehad dat verzoeker ingevolge de Rijkswet op het Nederlanderschap (art. 4, oud en huidig) het Nederlanderschap heeft verkregen. (meer…)

HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3144

Caribische zaak. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting omtrent art. 6:83 aanhef en onder c van het Curaçaose BW door te onderzoeken of verzoeker uit een mededeling van verweerder had moeten afleiden dat verweerder in de nakoming van de op hem rustende verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst zou tekortschieten, in welk geval een ingebrekestelling achterwege kon blijven. (meer…)

HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3104 (Sonera/Çukurova)

Artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk ziet niet op het verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke of arbitrale beslissing, dat door een rechter in een land van het Koninkrijk is verleend op de voet van een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag. Dit geldt ongeacht of een zodanig verdrag tevens voor andere landen van het Koninkrijk in werking is getreden. Een zodanig verlof strekt zich slechts uit tot het desbetreffende land binnen het Koninkrijk, tenzij de wet van een ander land van het Koninkrijk anders bepaalt. (meer…)