Selecteer een pagina
Verzekeraar subrogeert niet integraal in rechten van benadeelde wat betreft uitkomst billijkheidscorrectie

Verzekeraar subrogeert niet integraal in rechten van benadeelde wat betreft uitkomst billijkheidscorrectie

HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1133

In gevallen waarvoor de 50%- of 100%-regel geldt, subrogeert de verzekeraar van de benadeelde, voor zover het gaat om de billijkheidscorrectie, (i) niet in diens rechten wat betreft de 50%- of 100%-regel en (ii) niet integraal wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie, namelijk niet wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden. Dat is niet anders wanneer de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met de benadeelde heeft gesloten.  Lees meer…

Schending Wijsmuller-norm leidt tot vernietigbaarheid, niet tot nietigheid

Schending Wijsmuller-norm leidt tot vernietigbaarheid, niet tot nietigheid

HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:978

Besluitvorming door een orgaan van een rechtspersoon vereist dat allen die vergader- of stemrecht hebben of die een raadgevende stem hebben, in de gelegenheid zijn gesteld aan het daarop betrekking hebbende overleg deel te nemen, respectievelijk hun raadgevende stem te gebruiken, en, wat betreft de stemgerechtigden, aan de besluitvorming deel te nemen. Handelen in strijd met deze norm leidt tot vernietigbaarheid van het besluit en niet tot nietigheid daarvan. Lees meer…

Verjaring van een vordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst

Verjaring van een vordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst

HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168

De verjaringstermijn van drie jaren van art. 3:52 lid 1 onder d BW voor de vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door een echtgenoot, begint zodra die echtgenoot daadwerkelijk bekend is met het bestaan van de overeenkomst. Kennis of begrip dat de echtgenoot de overeenkomst kan vernietigen is niet vereist. Lees meer…

Het begrip ‘ruimtelijk verbonden’ in het Arubaanse huurrecht

Het begrip ‘ruimtelijk verbonden’ in het Arubaanse huurrecht

18 juli 2025 ECLI:NL:HR:2025:1170

1) Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een onbegrijpelijk oordeel gegeven door te oordelen dat een pand ‘ruimtelijk verbonden’ is met een hotel in de zin van art. 7:248 BW Aruba, en daarbij belang te hechten aan het doel van die bepaling en de plaatselijke omstandigheden.
2) Het rechtsmiddelenverbod van art. 260 Rv Aruba geldt niet in een geval waarin het Gerecht in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in het beroep tegen een uitspraak van de Huurcommissie. 3. Ook het specifieke rechtsmiddelenverbod van art. 7:252 BW Aruba in verbinding met art. 7:246 lid 3 BW Aruba is niet van toepassing, reeds omdat een beroep is gedaan op een doorbrekingsgrond. Lees meer…

Tweeconclusieregel, latere uitwerking van een grief en het beginsel van hoor en wederhoor

Tweeconclusieregel, latere uitwerking van een grief en het beginsel van hoor en wederhoor

HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561

De rechter in hoger beroep kan een geschilpunt in zijn beslissing betrekken dat niet is opgenomen in de memorie van grieven, maar wel in het verlengde ligt van reeds aangevoerde grieven. Vóórdat hij op dat geschilpunt beslist, moet de rechter wel nagaan of de wederpartij zich over dat geschilpunt voldoende heeft kunnen uitlaten. Als dat niet zo is, moet de rechter daartoe alsnog gelegenheid bieden. Lees meer…

Vergoeding van door derde gemaakte zorgkosten als de derde de zorg kosteloos verleent

Vergoeding van door derde gemaakte zorgkosten als de derde de zorg kosteloos verleent

Cassatieblog 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853

Voor de toewijzing van een vordering van een benadeelde tot vergoeding van door een derde verleende zorg is niet noodzakelijk dat de benadeelde tegenover die derde verplicht is tot betaling voor die zorg. Ook is niet noodzakelijk dat de benadeelde de vergoeding aan die derde doorbetaalt. Lees meer…

De vrijstelling van procesvertegenwoordiging voor gecertificeerde instellingen

De vrijstelling van procesvertegenwoordiging voor gecertificeerde instellingen

HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1011

De gecertificeerde instelling (GI) is in voogdijzaken vrijgesteld van verplichte procesvertegenwoordiging op grond van art. 1:283 BW. Deze vrijstelling geldt óók als de GI niet de verzoekende partij is, maar een verweerschrift indient, en geldt ook in hoger beroep. Daarnaast geldt als uitgangspunt toewijzing van een verzoek om eenhoofdig gezag van een ouder na beëindiging van het eenhoofdige gezag van de andere ouder, tenzij het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl