Alle berichten met de tag: verjaring


HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1146

De termijn van verjaring van de executie van een straf (art. 76 Sr) is verbonden met verjaring van het recht om tot strafvervolging over te gaan art. 70 Sr). De overgangsbepaling uit 1989 bij een wijziging van art. 70 Sr is echter niet van invloed  op termijn van art. 76 Sr. (meer…)

HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182 (Eiser/Rabobank)

Art. 2:23c lid 2 BW jo. art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend ex art. 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat (i) heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn dat (ii) een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet behoeft te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat. (meer…)

HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139

De op naam van een Stichting beheer derdengelden advocatuur staande bankrekening kan worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening. Deze Stichting is bij uitsluiting bevoegd is tot beheer en beschikking over de kwaliteitsrekening. In de aard van een kwaliteitsrekening ligt besloten dat de Stichting zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling van diens aandeel. (meer…)

HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (Mispelhoef/Rijkswaterstaat)

De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen wanneer de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Dat de benadeelde bekend is met de mogelijkheid dat een bepaalde persoon de schade heeft veroorzaakt, is onvoldoende om aan te nemen dat bij hem voldoende zekerheid bestaat over de aansprakelijke persoon. (meer…)

HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden/Verweerders)

(1) Voor het in art. 3:105 BW bedoelde gevolg van voltooiing van de verjaringstermijn van art. 3:314 lid 2 BW is voldoende dat bij de niet-rechthebbende sprake is van bezit dat voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Het is niet vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis had van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgegaan. (2) De bezitter te kwader trouw die door de werking van art. 3:105 BW eigenaar is geworden, kan blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan hem heeft verloren. (meer…)