Selecteer een pagina

Alle berichten van: Martijn Scheltema


HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:225 (hoofdzaak) en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:238 (vrijwaringszaak)

Slagende motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat de verkoper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mondeling een winstrecht bij verkoop van een gedeelte van panden, die deel uitmaakten van het vermogen van een vennootschap, met de kopers van zijn aandelen is overeengekomen en tegen de verwerping van het hof van het betoog dat de verkoper de kans op een beter resultaat is ontnomen doordat de notarissen hun zorgplicht niet hebben nageleefd. (meer…)

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1805

Er is in deze zaak volgens de Hoge Raad sprake van een kennelijke fout nu een in een tussenvonnis bij wijze van bindende eindbeslissing toegewezen vordering in het eindvonnis alsnog is afgewezen. De beoordeling in hoger beroep beperkt zich verder volgens de Hoge Raad, nu op grond van art. 31 lid 4 Rv geen voorziening openstaat, tot de vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond. (meer…)

HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865

De Hoge Raad beslist in deze zaak, die nog is afgehandeld onder de oude Wet op de inrichting van het landelijk gebied (Wilg), dat de peildatum is het moment van terinzagelegging van het ontwerpruilplan. Dat wordt niet anders als daarna nog een waardestijging plaatsvindt. De ratio van dit peilmoment is volgens de Hoge Raad dat een rechthebbende aan wie andere grond wordt toebedeeld dan hij heeft ingebracht moet kunnen weten welke gevolgen het ontwerpruilplan voor hem heeft, ook in financieel opzicht. (meer…)

HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1685

De Hoge Raad verduidelijkt dat voor stuiting van de verjaring ten aanzien van een ontbindingsvordering art. 3:317 lid 2 BW geldt, ook als die vordering wordt gecombineerd met een schadevergoedingsvordering. Dit betekent dat de schriftelijke aanmaning van art. 3:317 BW binnen zes maanden moet worden gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW (zoals een dagvaarding). Nu geen stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW had plaatsgevonden, was de ontbindingsvordering in dit geval dus verjaard. (meer…)

Hoge Raad 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865

Met waardevermeerdering na de peildatum kan in landinrichtingszaken in beginsel geen rekening worden gehouden. Anders kan een belanghebbende niet afwegen of bezwaar moet worden gemaakt en zou hij bovendien kunnen worden geconfronteerd met een vergoeding voor na de peildatum opgetreden waardevermeerdering. Martijn Scheltema bespreekt de uitspraak in drie minuten.

 

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #149 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Cassatieblog.nl