Praktische wenken voor het omgaan met een beroep op het verschoningsrecht
HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1462
- De behoorlijk opgeroepen getuige die zich op een verschoningsrecht meent te kunnen beroepen, moet in beginsel gewoon op de voor het verhoor bepaalde dag ter zitting te verschijnen. Ter zitting zal de rechter ten overstaan van alle partijen beoordelen of de getuige een beroep op een verschoningsrecht toekomt.
- Als aanstonds duidelijk is dat de getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen, kan het praktisch zijn om de rechter te verzoeken daarover eerst schriftelijk te beslissen.
- Als degene die de getuige wenst te horen zich niet met het beroep op het verschoningsrecht kan verenigen, zal de getuige toch gewoon ter zitting moeten verschijnen. Dit is alleen anders als degene die volhardt in het oproepen van de getuige geen enkel rechtens te respecteren belang daarbij heeft aangevoerd. Als dat zo is kan de rechter alsnog voorafgaand aan de zitting schriftelijk beslissen over het beroep op een verschoningsrecht.
- De beslissing van de rechter dat de opgeroepen getuige toch ter zitting moet verschijnen, is een tussenuitspraak, waartegen alleen met verlof een rechtsmiddel kan worden aangewend.
Misleiding bij het afsluiten van een WAM-verzekering
HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1082
In de verhouding tussen de benadeelde en een WAM-verzekeraar is geen plaats voor een algemene buitenwettelijke regel dat – naar analogie van art. 7:941 lid 5 BW – bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde na de verwezenlijking van het risico het eigen recht van art. 6 WAM vervalt. Het afleggen van opzettelijk onjuiste verklaringen met als doel om te bewerkstelligen dat een WAM-verzekering tot stand komt, volstaat niet om te voldoen aan het subjectieve vereiste voor misbruik van Unierecht. Lees meer…
Belang van het kind bij uitoefening gezamenlijk gezag
HR 19 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1322
Bij de beoordeling van geschillen omtrent de uitoefening van gezamenlijk gezag neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1 BW). Dit betekent echter niet dat het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. In dit geval heeft het hof dit ofwel miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door in zijn afweging niet een aantal persoonlijke omstandigheden van de moeder te betrekken. Lees meer…
Wzd: machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf in een accommodatie op de voet van art. 24 lid 4 Wzd
HR 26 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1384
Op grond van art. 24 lid 4 Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 2 Wzd voor onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis in de zin van de Wvggz indien zijn zorgbehoefte daartoe aanleiding geeft. Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan echter op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz leiden.
Afwijken van de vastenlastenmethode
HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1084
In zijn prejudiciële beslissing van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad een model gegeven dat een handvat biedt voor de berekening van de huurprijsvermindering (de vastenlastenmethode). De rechter mag daar in een concreet geval van afwijken, of daaraan een toepassing geven die recht doet aan de omstandigheden van het geval. Lees meer…
Uitleg werkingssfeerbepaling in verplichtstellingsbesluit bedrijfstakpensioenfonds PFZW
HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1325
(1) Een werkingssfeerbepaling in een verplichtstellingsbesluit hoeft niet identiek te zijn aan eenzelfde bepaling uit de cao in dezelfde sector.
(2) Bij de uitleg van een werkingssfeerbepaling is niet van belang of de betreffende werkgever gerepresenteerd werd bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit.
Welke rechter is bevoegd om te beslissen op een verzoek tot fondsvorming?
HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1239 (De Vlaamse Waterweg/Perficio Shipping c.s. en EOC)
Als in verschillende verdragsstaten een rechtsgeding aanhangig is gemaakt, is het aan de scheepseigenaar overgelaten om de verdragsstaat te kiezen waar een verzoek tot fondsvorming op de voet van het Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart wordt gedaan.
De positieve zijde van de devolutieve werking
HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1093
Het hof mocht niet ambtshalve oordelen over de vraag welk recht van toepassing is, ook niet na het slagen van een grief over de manier waarop de rechtbank het (volgens de rechtbank) toepasselijke recht had toegepast.
Bancaire zorgplicht kan een vergewis- en informatieplicht meebrengen jegens ondernemers over mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling
HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237
Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de bancaire zorgplicht meebrengen dat de bank zich ervan vergewist of de ondernemer zich van een mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling bewust is en, indien dit niet het geval blijkt, haar kennis daarover met deze deelt. Lees meer…
Beëindiging van een duurovereenkomst
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763
In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden ‘uitgeschakeld’ op de wijze die het hof in deze zaak doet. Het hof had in dit geval een opzegtermijn van een maand vervangen door een termijn van drie maanden. Lees meer…