Ook wangedrag buiten het gehuurde kan schending van goed huurderschap opleveren
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1858
De verplichting van de huurder om zich als een goed huurder te gedragen (art. 7:213 BW) kan ook betrekking kan hebben op gedragingen van de huurder buiten het gehuurde, mits er een voldoende verband bestaat met de huurovereenkomst. Lees meer…
13 jaar uitzending, misbruik van de Uitzendrichtlijn?
HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1733
Er is sprake van misbruik van de uitzendovereenkomst indien de duur van de activiteit van de uitzendkracht bij de inlenende onderneming langer is dan wat – gelet op alle relevante omstandigheden – redelijkerwijs als “tijdelijk” kan worden aangemerkt, en voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling geen adequate (objectieve) verklaring wordt gegeven. Lees meer…
Art. 149 lid 1 Rv geldt ook bij ambtshalve toetsing
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1864
Ambtshalve toetsing overeenkomstig de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG) betekent dat de rechter zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is en de instructiemaatregelen moet nemen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Dit laat onverlet dat feiten en omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 149 lid 1 Rv). Lees meer…
Beroepsaansprakelijkheid advocaat
HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540
Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over de mogelijkheid een bepaald verweer te voeren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en rechtsgevolgen van het verweer, de kans van slagen daarvan en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds bewust te zijn van de mogelijkheid dat verweer te voeren. Gelet hierop is onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat verweerder (advocaat) geen beroepsfout heeft gemaakt door zijn client niet te wijzen op de mogelijkheid van vernietiging, door diens echtgenote, van een overeenkomst waarin de client zich had verbonden voor een schuld van zijn vennootschap. Lees meer…
Wvggz : geen aansluitende zorgmachtiging en medische verklaring en taal die betrokkene voldoende beheerst
Hoge Raad 28 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1809
De zorgmachtiging die de rechtbank heeft verleend, sloot niet aan op de eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kan geen nieuwe zorgmachtiging verlenen voor langere duur dan zes maanden.
Het onderzoek waarop de medische verklaring berust dient zoveel mogelijk plaats te vinden in een voor betrokkene begrijpelijke taal.
Geen aansluitende zorgmachtiging
De officier van justitie had de rechtbank tijdig voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden (art. 6:5 Wvggz). Omdat de rechtbank dat niet heeft gedaan is de lopende zorgmachtiging op 26 april 2025 van rechtswege vervallen (art. 6:2 lid 1 aanhef en onder e Wvggz). De rechtbank kon dus niet een zorgmachtiging verlenen voor een langere duur dan zes maanden.
Begrijpelijke taal
Gelet op het belang dat in het stelsel van de Wvggz toekomt aan de in art. 5:8 lid 1 Wvggz bedoelde verklaring die wordt opgesteld met het oog op een voorgenomen vrijheidsbeneming, geldt dat het onderzoek waarop de medische verklaring berust zoveel mogelijk dient plaats te vinden in een voor betrokkene begrijpelijke taal. In de medische verklaring is vermeld dat het gesprek tussen de psychiater en betrokkene plaatsvond met bijstand van een Somalisch sprekende tolk, terwijl in een eerder gesprek met dezelfde psychiater plaatsvond met behulp van een tolk in het Dari. Ook tijdens de mondelinge behandeling werd betrokkene bijgestaan door een Dari-tolk. Deze omstandigheden geven ten minste aanleiding tot gerede twijfel over de vraag of het gesprek tussen de psychiater en betrokkene plaats vond in een taal die betrokkene voldoende beheerst en daarmee over de vraag of de medische verklaring voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen.
Niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of het onderzoek van de psychiater heeft plaatsevonden met inachtneming van de hiervoor bedoelde eisen.
Na terugverwijzing zal moeten worden onderzocht of de psychiater en betrokkene in staat zijn geweest op zodanige wijze met elkaar te communiceren dat de psychiater een goed beeld van betrokkene kon krijgen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst terug naar dezelfde rechtbank.
Evenredigheidstoets verplicht alvorens inschrijver uit te sluiten
HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1738
Het Nederlandse recht verplicht een aanbestedende dienst om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen. Van die verplichting kan niet in aanbestedingsvoorwaarden worden afgeweken. Lees meer…
Is moment van aansprakelijkstelling van verzekerde bepalend voor aanvang verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW?
HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1686
Bij een aansprakelijkheidsverzekering begint de verjaringstermijn van drie jaar voor een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering (art. 7:942 lid 1 BW) te lopen op het moment dat de verzekerde aansprakelijk is gesteld. Lees meer…
Cassatievlog #151 | Kunnen coronasteunvorderingen worden verpand?
Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
Vorderingen van ondernemers op de overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen (de NOW en de TVL) zijn overdraagbaar en daarmee verpandbaar. Er is volgens de Hoge Raad geen algemene regel dat de aard van geldvorderingen op de overheid uit hoofde van subsidieregelingen zich verzet tegen overdracht. Geldvorderingen uit hoofde van de NOW en de TVL hebben geen persoonlijk karakter en de aard van deze vorderingsrechten verzet zich niet tegen overdracht, ook al vloeien zij voort uit subsidieregelingen.
Cassatievlog #151 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Merkenrecht: verhouding tussen de b-grond en de c-grond
HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1654
De Hoge Raad gaat in op de verhouding tussen de b-grond (verwarringsgevaar) en de c-grond (ongerechtvaardigd voordeel of afbreuk aan onderscheidend vermogen zonder geldige reden) in het merkenrecht, in het bijzonder met betrekking tot de voor ieder van die gronden benodigde mate van overeenstemming. Lees meer…
Art. 843a (oud) Rv: rechtsbetrekking voldoende aannemelijk?
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1812
Een inzagevordering op de voet van art. 843a (oud) Rv is alleen toewijsbaar als een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is. De verplichting van een bemiddelaar om zijn opdrachtgever ervan in kennis te stellen dat hij een persoonlijk belang had bij totstandkoming van de overeenkomst waarbij hij heeft bemiddeld (art. 7:418 lid 1 BW in verbinding met art. 7:427 BW) kan een dergelijke rechtsbetrekking opleveren. Ook de verplichting tot het afleggen van verantwoording (art. 7:403 lid 2 BW) kan een rechtsbetrekking opleveren. Lees meer…