Follow-on schadevorderingen na een kartel (I): aanvangsmoment verjaring
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764
De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin). Lees meer…
Antwoorden op prejudiciele vragen over de aansprakelijkheid van een bestuurder voor belasting- en premieschulden van een Curaçaose vennootschap
HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1657
Deze zaak gaat over de rechtspositie van een bestuurder van een Curaçaose vennootschap die, op grond van de daarop betrekking hebbende wettelijke bepalingen van Curaçao, door de Ontvanger aansprakelijk wordt gehouden voor volgens de Ontvanger openstaande belasting- en premieschulden van de vennootschap. Het Gemeenschappelijk Hof heeft over diverse aspecten van de rechtspositie van de bestuurder prejudiciële vragen gesteld. Lees meer…
Een huurovereenkomst voor art.7:290-bedrijfsruimte kan niet worden beëindigd uitsluitend om een hogere huurprijs te realiseren
HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1962
Een huurovereenkomst voor art. 7:290-bedrijfsruimte kan niet ex art. 7:296 lid 3 BW worden beëindigd uitsluitend om een hogere huurprijs te bewerkstelligen. Lees meer…
Ook wangedrag buiten het gehuurde kan schending van goed huurderschap opleveren
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1858
De verplichting van de huurder om zich als een goed huurder te gedragen (art. 7:213 BW) kan ook betrekking kan hebben op gedragingen van de huurder buiten het gehuurde, mits er een voldoende verband bestaat met de huurovereenkomst. Lees meer…
13 jaar uitzending, misbruik van de Uitzendrichtlijn?
HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1733
Er is sprake van misbruik van de uitzendovereenkomst indien de duur van de activiteit van de uitzendkracht bij de inlenende onderneming langer is dan wat – gelet op alle relevante omstandigheden – redelijkerwijs als “tijdelijk” kan worden aangemerkt, en voor de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling geen adequate (objectieve) verklaring wordt gegeven. Lees meer…
Art. 149 lid 1 Rv geldt ook bij ambtshalve toetsing
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1864
Ambtshalve toetsing overeenkomstig de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG) betekent dat de rechter zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is en de instructiemaatregelen moet nemen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Dit laat onverlet dat feiten en omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 149 lid 1 Rv). Lees meer…
Beroepsaansprakelijkheid advocaat
HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540
Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over de mogelijkheid een bepaald verweer te voeren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en rechtsgevolgen van het verweer, de kans van slagen daarvan en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds bewust te zijn van de mogelijkheid dat verweer te voeren. Gelet hierop is onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat verweerder (advocaat) geen beroepsfout heeft gemaakt door zijn client niet te wijzen op de mogelijkheid van vernietiging, door diens echtgenote, van een overeenkomst waarin de client zich had verbonden voor een schuld van zijn vennootschap. Lees meer…
Wvggz : geen aansluitende zorgmachtiging en medische verklaring en taal die betrokkene voldoende beheerst
Hoge Raad 28 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1809
De zorgmachtiging die de rechtbank heeft verleend, sloot niet aan op de eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kan geen nieuwe zorgmachtiging verlenen voor langere duur dan zes maanden.
Het onderzoek waarop de medische verklaring berust dient zoveel mogelijk plaats te vinden in een voor betrokkene begrijpelijke taal.
Geen aansluitende zorgmachtiging
De officier van justitie had de rechtbank tijdig voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden (art. 6:5 Wvggz). Omdat de rechtbank dat niet heeft gedaan is de lopende zorgmachtiging op 26 april 2025 van rechtswege vervallen (art. 6:2 lid 1 aanhef en onder e Wvggz). De rechtbank kon dus niet een zorgmachtiging verlenen voor een langere duur dan zes maanden.
Begrijpelijke taal
Gelet op het belang dat in het stelsel van de Wvggz toekomt aan de in art. 5:8 lid 1 Wvggz bedoelde verklaring die wordt opgesteld met het oog op een voorgenomen vrijheidsbeneming, geldt dat het onderzoek waarop de medische verklaring berust zoveel mogelijk dient plaats te vinden in een voor betrokkene begrijpelijke taal. In de medische verklaring is vermeld dat het gesprek tussen de psychiater en betrokkene plaatsvond met bijstand van een Somalisch sprekende tolk, terwijl in een eerder gesprek met dezelfde psychiater plaatsvond met behulp van een tolk in het Dari. Ook tijdens de mondelinge behandeling werd betrokkene bijgestaan door een Dari-tolk. Deze omstandigheden geven ten minste aanleiding tot gerede twijfel over de vraag of het gesprek tussen de psychiater en betrokkene plaats vond in een taal die betrokkene voldoende beheerst en daarmee over de vraag of de medische verklaring voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen.
Niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of het onderzoek van de psychiater heeft plaatsevonden met inachtneming van de hiervoor bedoelde eisen.
Na terugverwijzing zal moeten worden onderzocht of de psychiater en betrokkene in staat zijn geweest op zodanige wijze met elkaar te communiceren dat de psychiater een goed beeld van betrokkene kon krijgen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst terug naar dezelfde rechtbank.
Evenredigheidstoets verplicht alvorens inschrijver uit te sluiten
HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1738
Het Nederlandse recht verplicht een aanbestedende dienst om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen. Van die verplichting kan niet in aanbestedingsvoorwaarden worden afgeweken. Lees meer…
Is moment van aansprakelijkstelling van verzekerde bepalend voor aanvang verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW?
HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1686
Bij een aansprakelijkheidsverzekering begint de verjaringstermijn van drie jaar voor een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering (art. 7:942 lid 1 BW) te lopen op het moment dat de verzekerde aansprakelijk is gesteld. Lees meer…