Selecteer een pagina
Belang van het kind bij uitoefening gezamenlijk gezag

Belang van het kind bij uitoefening gezamenlijk gezag

HR 19 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1322 

Bij de beoordeling van geschillen omtrent de uitoefening van gezamenlijk gezag neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1 BW). Dit betekent echter niet dat het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. In dit geval heeft het hof dit ofwel miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door in zijn afweging niet een aantal persoonlijke omstandigheden van de moeder te betrekken. Lees meer…

Wzd: machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf in een accommodatie op de voet van art. 24 lid 4 Wzd

Wzd: machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf in een accommodatie op de voet van art. 24 lid 4 Wzd

HR 26 september 2025  ECLI:NL:HR:2025:1384

Op grond van art. 24 lid 4 Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 2 Wzd voor onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis in de zin van de Wvggz indien zijn zorgbehoefte daartoe aanleiding geeft.  Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan echter op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz leiden.

Lees meer…

Uitleg werkingssfeerbepaling in verplichtstellingsbesluit bedrijfstakpensioenfonds PFZW

Uitleg werkingssfeerbepaling in verplichtstellingsbesluit bedrijfstakpensioenfonds PFZW

HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1325

(1) Een werkingssfeerbepaling in een verplichtstellingsbesluit hoeft niet identiek te zijn aan eenzelfde bepaling uit de cao in dezelfde sector.

(2) Bij de uitleg van een werkingssfeerbepaling is niet van belang of de betreffende werkgever gerepresenteerd werd bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit.

Lees meer…

Welke rechter is bevoegd om te beslissen op een verzoek tot fondsvorming?

Welke rechter is bevoegd om te beslissen op een verzoek tot fondsvorming?

HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1239 (De Vlaamse Waterweg/Perficio Shipping c.s. en EOC)

Als in verschillende verdragsstaten een rechtsgeding aanhangig is gemaakt, is het aan de scheepseigenaar overgelaten om de verdragsstaat te kiezen waar een verzoek tot fondsvorming op de voet van het Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart wordt gedaan.

Lees meer…

Bancaire zorgplicht kan een vergewis- en informatieplicht meebrengen jegens ondernemers over mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling

Bancaire zorgplicht kan een vergewis- en informatieplicht meebrengen jegens ondernemers over mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling

HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de bancaire zorgplicht meebrengen dat de bank zich ervan vergewist of de ondernemer zich van een mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling bewust is en, indien dit niet het geval blijkt, haar kennis daarover met deze deelt. Lees meer…

Beëindiging van een duurovereenkomst

Beëindiging van een duurovereenkomst

HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763

In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden ‘uitgeschakeld’ op de wijze die het hof in deze zaak doet. Het hof had in dit geval een opzegtermijn van een maand vervangen door een termijn van drie maanden. Lees meer…

Valt een aanbieder van Buy Now, Pay Later onder de werkingssfeer va de richtlijn consumentenkrediet?

Valt een aanbieder van Buy Now, Pay Later onder de werkingssfeer va de richtlijn consumentenkrediet?

HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008

Inzet van deze zaak is of aanbieders van Buy Now, Pay Later-diensten (BNPL-diensten) vallen onder de reikwijdte van de Richtlijn Consumentenkrediet. Over deze vraag heeft de rechtbank Gelderland prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de door de rechtbank gestelde vragen deels zelf beantwoord, voor het overige heeft hij prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Na beantwoording van die vragen, beantwoordt de Hoge Raad in de hier besproken zaak de resterende vragen van de kantonrechter.

De Hoge Raad legt uit hoe door de rechter bepaald moet worden of een BNPL-dienst valt onder de regels voor het consumentenkrediet. Daarnaast beantwoordt de Hoge Raad vragen over het vereiste van ‘geruime tijd’ uit art. 7:60 lid 1 BW en over de mate waarin de rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever voldaan heeft aan de op hem rustende plicht een kredietwaardigheidstoets uit te voeren. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl