Selecteer een pagina

Dossier: Proces- en beslagrecht


HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1888

Bij gebreke van een wettelijke bepaling over de vraag tot welk moment in de procedure een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, wordt het tijdstip daarvoor bepaald door de eisen van een goede procesorde. Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend. (meer…)

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1963

Deze zaak draait om de vraag of een buitenlands vonnis in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt. Daarvoor is onder meer vereist dat de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. De Hoge Raad oordeelt dat de bevoegdheid in dit geval niet kon worden gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de verzoeker (forum actoris), maar wel op een stilzwijgende forumkeuze van de gedaagde. Daarnaast gaat de zaak in cassatie over de vraag of de erkenning in Curaçao in strijd is met de openbare orde. (meer…)

Hoge Raad 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201

Overgangsrecht nieuw bewijsrecht. De Hoge Raad beantwoordt vragen van overgangsrecht onder de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Bepaalt het oude of het nieuwe recht of, en zo ja, binnen welke termijn, rechtsmiddelen openstaan? Gertjan Harryvan bespreekt de uitspraak van de Hoge Raad over deze wet.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #155 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1950

Art. 419 lid 2 Rv brengt mee dat de feitelijke grondslag van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding, en dus niet in nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan na de bestreden uitspraak. Dat is niet anders in een uitleveringszaak, waarin het gaat om de vraag of de persoon die wordt uitgeleverd het risico loopt om na uitlevering in strijd met art. 3 EVRM te worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden. (meer…)

HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856

Een kostenbeding in een overeenkomst tussen een juridische dienstverlener en haar cliënt hoeft niet te worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen, omdat daarover afzonderlijk is onderhandeld. (meer…)

Cassatieblog.nl